‘Facebook-stop zou revolutionair zijn’

Grunberg in het Stedelijk #18

De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

De afdeling onlinemarketing van het Stedelijk bestaat uit twee personen en een stagiaire. Hoofd van de afdeling is Saskia. Zij draagt deze ochtend een donkergele blouse met korte mouwen en heeft de uitstraling van een lerares handarbeid bij wie ook de depressieve leerlingen troost kunnen vinden.

Elke dinsdagochtend om tien uur komt zij met haar team in de kantine samen om te bespreken wat er moet gebeuren op Instagram, Facebook, Twitter en de website.

Nagham uit Syrië wil weten hoe ze beter kan communiceren via sociale media.

„Veel van onze volgers komen nooit naar het museum”, vertelt Saskia, „dat is niet erg. Wij willen via sociale media laten zien wie we zijn. We hebben erover gedacht met Facebook te stoppen, dat zou revolutionair zijn, maar dat konden we ons niet permitteren. Evenementen bijvoorbeeld werken niet op Instagram.”

Ik heb zelden iemand met zoveel liefde over sociale media horen spreken.

„Als ik zie hoe we begonnen met Facebook,’ vertelt Saskia, „dan schaam ik me. Wat we nu bijvoorbeeld doen is een verkiezing organiseren, we zetten twee kunstwerken op Instagram en dan mogen mensen kiezen over welk kunstwerk ze meer willen horen.”

„Hoeveel mensen doen mee aan die verkiezingen?” informeer ik.

„Tussen de 1.600 en 2.000”, zegt Femke, medewerkster van Saskia.

Op enkele suppoosten, de heren die de schilderijen ophangen, een paar floormanagers, een verdwaalde curator, de directeur ad interim en de chef van de persafdeling na zijn de medewerkers van het Stedelijk overwegend vrouwen tussen de 20 en de 40, wit, goed gekleed en beschaafd. Zo beschaafd dat men zich afvraagt waar de ware performancekunst plaatsvindt, in het museum of in de bedrijfskantine.

„Tinguely is vandaag jarig”, vertelt Saskia, „dan maken we een post over Tinguely.”

Na de lunch neem ik plaats achter mijn bureau in het museum. Naast me staat een overheadprojector waarop kinderen en volwassenen kunnen tekenen.

Een meisje wil tekenen over de tekening van een ander. „Nee”, roep ik, „neem een nieuw blaadje.”

Dan zie ik in wiens gezelschap ze is: Kees van Kooten. Hij ziet er keurig uit, alsof hij de directeur is van de Nederlandsche Bank.

„Sorry dat ik tegen je kleindochter uitviel”, zeg ik tegen Kees.

„Geeft niet”, antwoordt hij, „ze kan het gebruiken.”

Wie naar het Midden-Oosten kijkt, denkt er anders over vermoedelijk, maar in het Stedelijk bestaat er geen twijfel: de mens is het best opgevoede huisdier van de beschaving.

(Wordt vervolgd)