‘Dit type’ Joden bestreed hij niet

Hans Fels en Chaja Polak

Ook in herziene editie is Oorlogsouders een gevaarlijk boek, vinden Hans Fels en Chaja Polak. Willem baron van Boetzelaer was een échte nazi.

Hans Fels en Chaja Polak: „Onze moeder heeft haar kinderen niet alle ellende verteld, om hen heel te houden.” Foto Frank Ruiter

Dit is de vroegste herinnering van schrijver Chaja Polak. Ze ligt in bed, in een smalle kamer, aan haar voeteneinde zitten twee vrouwen, ze kent ze niet. Het is – denkt ze – de dag nadat haar ouders werden gearresteerd op hun onderduikadres in 1944. De arrestatie zelf herinnert ze zich niet. „Verdrongen”, zegt haar zeven jaar jongere broer Hans Fels.

De herinnering zal ze opnemen in haar in oktober te verschijnen boek De man die geen hekel had aan Joden. De titel verwijst naar Willem baron van Boetzelaer, toegetreden tot de Waffen-SS, gevochten aan het Oostfront en later Unterscharführer van een eenheid van de Sicherheitsdienst in Den Haag, het commando-Boetzelaer genoemd. Zijn medewerker Johan Krom voerde met andere leden van het commando de arrestatie uit.

Dat de baron geen hekel had aan Joden, staat letterlijk in Oorlogsouders, het boek dat dochter Isabel van Boetzelaer vorig jaar publiceerde. Daarin staat ook dat Van Boetzelaer niet actief op ondergedoken Joden en verzetslieden joeg. Deze en andere beweringen zullen in De man die geen hekel had aan Joden onderuit worden gehaald, belooft Chaja Polak.

Binnenkort verschijnt een herziene editie van Oorlogsouders. In augustus vorig jaar onthulde NRC dat Isabel van Boetzelaer vele belastende feiten over haar Nederlandse vader en Duitse grootvader over het hoofd had gezien of onvermeld gelaten. Van Boetzelaer nam zich daarop voor aanvullend onderzoek te doen en haar boek te herzien.

Dit onthulde NRC vorig jaar: ‘Zo had dit boek niet mogen verschijnen’

Polak en Fels namen alvast de nieuwe editie door, maar zijn niet onder de indruk van de aanpassingen. „Het boek is wezenlijk onveranderd gebleven”, zeggen ze. Het stoelt nog altijd voornamelijk op de herinneringen van Isabel van Boetzelaers moeder. Ook in de herziene versie werpt zij wat haar vader betreft vooral vragen op (waarom heeft Willem Joodse onderduikers opgepakt? Hij had na de oorlog toch een Joodse vriendin?) zonder het voor de hand liggende antwoord te willen geven: Willem van Boetzelaer was een overtuigde nazi.

Polak en Fels noemen Oorlogsouders een gevaarlijk boek, in een tijd dat kennis van wat zich in de Tweede Wereldoorlog heeft afgespeeld afneemt en dat het publiek vooral benieuwd lijkt naar verhalen vanuit eens een ander perspectief dan dat van de slachtoffers. Tot hun schrik werd het boek na verschijning omarmd in de pers en door een deskundige als historicus Ad van Liempt („dit hoge niveau komt zelden voor”.)

Spiegelbeeld

Oorlogsouders was, en is ook in de nieuwe editie nog, een voorbeeld van wat Fels en Polak als „nivellering” betitelen. „Iedereen was een beetje slachtoffer in de oorlog, iedereen beetje schuldig.”

Dit is wat zij Isabel van Boetzelaer het meest kwalijk nemen: dat zij zich wel in haar vader verplaatst, maar nooit in de positie van de gezinnen die haar vader oppakte. Daarom heeft Polak in haar boek „een gezicht willen geven aan twee van de slachtoffers van Willem van Boetzelaer: mijn ouders. Als een spiegelbeeld.”

Als kinderen van slachtoffers van het commando-Van Boetzelaer mochten Polak en Fels de dossiers inzien van de baron in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspraak in Den Haag. Daarmee kregen zij toegang tot dezelfde bron als Isabel van Boetzelaer. Daar ontdekten ze dat de dochter van de baron selectief gebruik had gemaakt van de gegevens. „Zij citeert vaak tot de komma. En alles wat daar achter staat, laat ze weg.”

Lees het interview met Isabel van Boetzelaer: De vele waarheden over een ‘foute jongen’

Hans Fels, gelauwerd documentaire-filmer, heeft een situatieschetsje gemaakt. Een lange tafel in het Nationaal Archief. Broer en zus aan de ene kant, met voor zich drie dozen vol documenten. Polak wijst 50 centimeter aan: zulke stapels, in flinterdun papier. Aan het hoofd van de tafel zat een archiefmedewerker, de armen over elkaar. Hij zag erop toe dat ze geen foto’s maakten – bescherming van de privacy van hen die veroordeeld werden voor hun misdaden tijdens de bezetting. Wanneer broer en zus hun emoties niet konden bedwingen en elkaar opgewonden toefluisterden, stond de medewerker op, liep op hen toe en hield een vinger voor zijn lippen. Ssst!

„Onze moeder”, zegt Fels, „heeft haar kinderen niet alle ellende verteld, om hen heel te houden.” In het archief lazen ze het relaas van de arrestatie van hun moeder en Polaks vader in april 1944. De getuigenis van hun moeder. Een brief van een medegevangene. De verweren van Van Boetzelaer en zijn commando-leden voor de rechtbank. „Je hart bonst je borstkas uit als je dat leest.”

Het diepst trof broer en zus de verklaring van een getuige die kort met Hans Polak in de Scheveningse gevangeniscel had gezeten. Hij beschrijft hoe hij hem later nog een keer ziet staan in de gang, en hoe getekend zijn gezicht was.

Isabel citeert selectief. En alles wat daar achter staat, laat ze weg.

Gespaard

In 1947, voor de rechter, trachtte Johan Krom onder zijn straf uit te komen. Hij verklaarde dat hij indertijd de peuter Chaja Polak bewust had gespaard. Nee, zei haar moeder in de rechtszaal, het kind is gespaard omdat ze blond haar had en blauwe ogen en er niet Joods uitzag. Krom was, na het bemerken van zijn vergissing, diezelfde avond nog teruggegaan naar het onderduikadres. Chaja was inmiddels al door verzetslieden in veiligheid gebracht. En zo kwam ze de volgende dag terecht in die smalle kamer, met de twee vreemde vrouwen aan het voeteneind van haar bed.

Willem van Boetzelaer deed voor de rechter alsof hij normaal politiewerk had gedaan en zoveel mogelijk mensen had gespaard. Albert Heymans schrijft in Jood zonder ster (1999) dat Van Boetzelaer hem tegen het eind van de oorlog vroeg of hij, mocht Duitsland verliezen, zou willen getuigen dat de politieman hem en zijn zus niet had aangegeven. „Jullie zijn niet het type Joden dat ik altijd heb bestreden”, zegt Van Boetzelaer. In 1947 ontvangt Heymans, hij is geëmigreerd naar Palestina, een brief van de advocaat van Van Boetzelaer met precies die vraag. Zonder aarzeling, schrijft Heymans, heeft hij de brief in de prullenmand gegooid.

Het zijn dit soort passages die de lezer niet bij Isabel van Boetzelaer zal vinden, reden waarom Fels en Polak ook de herziene editie van Oorlogsouders als „manipulatief” betitelen.

    • Bas Blokker