Nederland Roosendaal 22052018 - Portret Jo Keepers.Foto: David van Dam

David van Dam

’Wij waren niet meer dan slaven’

Slachtoffer dwangarbeid

Jo Keepers (76) is een van de 15.000 vrouwen die onbetaalde dwangarbeid heeft gedaan in katholieke “liefdesgestichten” in Nederland. Van het strijken in de wasserij hield ze artrose over.

Op 17 september 1948 haalde de politie mijn drie broers en mij thuis in Roosendaal op. Elk lustrum vier ik. Dan ga ik met een broer eten in een Grieks restaurant hier in de buurt. Het was thuis onhoudbaar met een vader die dronk en sloeg.”

Jo Keepers (76) en haar broers werden in veiligheid gebracht, en toch ook weer niet. Ze belandden in katholieke gestichten. In 1955 kwam Jo terecht bij de Zusters van de Goede Herder in Tilburg. „Ik was 14 jaar en had eigenlijk nog naar school moeten gaan. Maar daar was geen tijd voor. Ze hadden een industriële wasserij waar de meisjes en vrouwen verplicht moesten werken. Van ’s morgens tot ’s avonds.”

Ze werkte op de afdeling waar het gewassen goed werd gestreken. De ouderwetse strijkboutjes stonden de hele dag op een groot fornuis. „Aan dat strijken heb ik artrose over gehouden. We moesten ook aan de mangel. Daar hebben we heel wat productie gemaakt. Kerkkleding, gesteven overhemden. Zoveel spul.”

Ze vergelijkt het met een bedrijf. „Want dat was het. En wij waren de gratis arbeidskrachten. Niet meer dan slaven, want je zat daar opgesloten en moest doen wat er gezegd werd. Het was vijf dagen in de week hard werken in de wasserij en strijkkamer. Op zaterdag moesten we het gesticht poetsen. Zondag was rustdag. Dan mocht je wat lezen.”

Toen ze 15 was moest ze naar Almelo, naar een ander gesticht van de Goede Herder. In die verplaatsing had ze niets in te brengen. „Mijn voogd heeft mij met de trein afgeleverd in Almelo. Mejuffrouw Van de Biggelaar heette ze. In Tilburg had ik nog een naam die ik op labeltjes in mijn kleding moest naaien. In Almelo had ik zelfs dat niet. Daar werd ik een nummer.”

Foto David van Dam

De nonnen in Almelo leefden van commerciële naaiopdrachten, vertelt ze. „Ik zat daar in een naaiatelier. Het was werken op bestelling. Stapels babykleertjes heb ik gemaakt, uitzetten, blauwe beddentijken met ruitjesmotief voor het leger. En hansoppen voor psychiatrische inrichtingen, overhemden voor confectiebedrijven.”

Betaald werden ze niet. „Ja, eens per jaar was er een markt, dan kreeg iedereen kartonnen geldbiljetten, een soort monopolygeld. Daar kon je dan wat snoepgoed, eten of ander spul voor kopen bij kraampjes. Ik heb in Almelo een middenstandsdiploma gehaald. Om te studeren mocht je een uurtje eerder stoppen met werken.”

In Almelo liep ze een paar keer weg. Telkens werd ze teruggebracht door de politie en gestraft door de nonnen. Na bijna drie jaar dwangarbeid volgde het gesticht van de Zusters van de Goede Herder in Zoeterwoude-Leiderdorp. Daar moest ze als 18-jarige ook weer productie maken. „Breien en naaien. Ik herinner me niet hoeveel babykleertjes ik gemaakt heb, maar het waren er veel.”

20 maart 1960. Ook die dag staat in haar geheugen gegrift. Dat was de dag dat ze ‘vrij’ kwam. „Daar stond ik dan, met lege handen. Na vijf jaar dag in dag uit werken kon er geen cent af.” In 2014 kreeg ze via de tweede commissie-Deetman 4.000 euro schadeloossteling. Dat was voor het psychisch en fysiek geweld dat haar is aangedaan in eerdere kindertehuizen. De onbetaalde dwangarbeid is nooit vergoed.

„Die zusters zijn rijk geworden door ons werk. Het lijkt me dat ze de kinderen, die een deel van hun vermogen bij elkaar gewerkt hebben, maar eens moeten vergoeden. Ik hoef geen miljoen hoor, maar genoegdoening is wel op zijn plaats.”

    • Joep Dohmen