Nederland Den Haag 22052018 - Portret Margot Verhagen.Foto: David van Dam

David van Dam

‘Om de tuin hing prikkeldraad’

Slachtoffer dwangarbeid Zeker 15.000 vrouwen hebben onbetaalde dwangarbeid gedaan in katholieke “liefdesgestichten” in Nederland. Zo ook Margôt Verhagen (85), die verkracht werd door de rector van het gesticht.

Als kind had Margôt Verhagen (85) uit Den Haag pech. Veel pech. Haar vader overleed in de oorlog. In hun boerderij in Someren stierf in 1950 ook haar moeder. Ze liet zeven kinderen achter. Margôt was 17.

Een tante in Nijmegen ontfermde zich over haar. Maar al snel kwamen er twee politiemannen en een mevrouw van de kinderbescherming. Ze zouden haar ergens naartoe brengen waar ze het beter kreeg. Dat was Huize Larenstein, het gesticht van de Zusters van de Goede Herder in Velp. Zusters in een wit habijt met zwarte kap onthaalden haar. „Daarna was de liefde snel afgelopen.”

Margôt verbleef er van 1950 tot 1954. „Een verschrikkelijk tijd.” Het was elke dag hard werken. ’s Morgens 6 uur opstaan, naar de kerk en de eetzaal. Daarna werden de meisjes en vrouwen naar hun werk geloodst. Na het middageten riep het werk weer. Rond half zeven zaten ze opnieuw in de kerk. Na het avondeten en de recreatie was het om half negen bedtijd.

„Ik werd ingeschakeld in de wasserette, broodbakafdeling, kookafdeling, naaiafdeling en moest uren vloeren dweilen op de knietjes.” Voor welke bedrijven ze allemaal gewerkt heeft, weet ze niet meer. Wat ze wel weet, is dat ze niets betaald kreeg. „Het was zelfs zo dat een deel van mijn erfenis naar het tehuis ging. Dat was een aardig bedrag omdat de boerderij, met vijfhonderd kippen en veel land, verkocht was. In de vier jaar dat ik daar moest werken, inden de nonnen dus ook nog kostgeld voor mij.”

Het regime was hard. Ze mochten niet praten, geen vriendschappen sluiten. Larenstein was een gevangenis. Zelfs in de wachtkamer waren tralies. „Om de tuin, waar we groepsgewijs mochten lopen, hing prikkeldraad.” Ze probeerde weg te lopen met twee vriendinnen. „Dikke Dolly was een vrolijke opgewekte griet. Wietske was klein en grappig. Met lakens zijn we uit de ramen geklommen. Ik was het langst vrij, de anderen waren snel gevonden. Drie weken was ik bij een tante in Limburg, toen kwam de politie.”

Terug in Larenstein sloten de nonnen haar drie dagen op, vertelt ze. In een bedompt hok in de nok van het dak. „Ik dacht dat ik stikte.” Er lag een matras op de grond en ze kreeg water en brood. „Weet je, als ik erover praat komen die beelden terug (ze begint te huilen). Mijn zoon zegt altijd: ‘Mama, het is voorbij. Het is over.’ Maar het is niet over. Het is iets wat in mij gebrand zit, wat nooit meer weggaat.”

Foto David van Dam

Daar kwam het seksueel misbruik nog bij. Ze werd verkracht door de rector van het gesticht. „We wisten dat je moest oppassen. Er was een kapel die wij moesten poetsen. Daar nam de rector mij mee. In de ruimte achter het altaar deed hij het. Hij moest vechten want ik was niet gewillig. Ik heb van me afgeschopt en gebeten maar kon niet tegen hem op.”

In 2016 werd haar klacht tegen de rector gegrond verklaard door de commissie die het seksueel misbruik in de Katholieke Kerk onderzocht. Ze was niet het enige slachtoffer. „Maar ik herinner mij de namen van de meisjes niet meer. Praten mocht je sowieso niet.”

Na haar „vrijlating” ging ze naar Den Haag. ’s Avonds gaf ze les, overdag stond ze in haar eigen modezaak. Dankzij haar sterke wil heeft ze het overleefd, zegt ze. „Ik kreeg drie kinderen. Veel later heb ik ze verteld dat ik niet zo’n fijne jeugd had. Dat ze er bij stil mochten staan dat zij wél een fijn leven hadden. Zakgeld, lekker eten op tafel, leuke kleren, een liefdevolle mama. Ik zei ook: ‘Als ik nog jong was, ging ik een boek schrijven’. Want ik ben er nog niet overheen.”

    • Joep Dohmen