Opinie

    • Peter de Bruijn

Hoe Olmi Rutger Hauer liet vliegen

De Italiaanse regisseur Ermanno Olmi overleed op 5 mei. In zijn film ‘De legende van de heilige drinker’ liet hij Rutger Hauer schitteren.

De naam van de Italiaanse filmmaker Ermanno Olmi, die deze maand overleed, zal vermoedelijk vooral voortleven door twee films: allereerst door zijn vroege film Il posto (1961), die gaat over een jongeman die zijn eerste baan vindt, op een dodelijk saai kantoor. En door zijn epos L’albero degli zoccoli(‘De klompenboom’, 1976), over het karige, maar saamhorige bestaan van boeren in Lombardije, eind negentiende eeuw. Die film is gebaseerd op de verhalen van Olmi’s grootmoeder. Hij draaide de film met de plaatselijke bevolking in de hoofdrollen. De klompenboom is geheel gesproken in dialect; zelfs in Italië was ondertiteling noodzakelijk. Olmi sprak van het „gefluister van de generaties in de geschiedenis” dat hij wilde doorgeven in zijn film.

Ermanno Olmi in 1978. Foto AP

Maar zeker in Nederland zal Olmi daarnaast voortleven als de regisseur, die een van onze allergrootste filmacteurs aan een van zijn allergrootste rollen hielp. Rutger Hauer beschrijft in zijn Autobiografie hoe dat zo kwam. Hauer deed midden jaren tachtig promotie voor The Hitcher. Olmi zag hem op televisie een interview geven in het Engels, dat hij niet kon verstaan. Maar hij wist: dat is de man, die ik moet hebben voor mijn nieuwe film, al had hij nooit een film met Hauer gezien.

Hauer is grandioos als alcoholist, die tegen de klippen op zijn waardigheid wil behouden

De film in kwestie was een verfilming van een novelle van schrijver Joseph Roth. De legende van de heilige drinker gaat over de dakloze alcoholist Andreas, die in Parijs plotseling wonderen overkomen. Van een anonieme voorbijganger krijgt hij een fors bedrag toegestopt. De enige voorwaarde is dat hij het geld voor een beeld moet leggen van de heilige Theresa in een kleine kerk, als hij ooit in staat mocht zijn om zijn schuld terug te betalen. Dat is de dakloze man ook vast van plan, want hij is ‘een man van eer’. Maar steeds komt er weer iets tussen. Dat er een aanlokkelijke bistro tegenover de ingang van de kerk is gevestigd, maakt de situatie ook niet eenvoudiger voor hem. Roth, die zelf een legendarische drinker was, schreef het verhaal – zijn ‘geestelijk testament’ – kort voor zijn overlijden in 1939.

Olimi heeft De legende van de heilige drinker in 1988 met veel liefde en zorg verfilmd en Hauer is fenomenaal als Andreas. Hij is een man die tegen de klippen op zijn waardigheid wil behouden, hoe ver hij ook is afgezakt. Vooral het drinkgelag in de laatste twintig minuten van de film, dat zich grotendeels zonder dialogen afspeelt, met muziek van Stravinsky, is indrukwekkend.

Olmi was altijd een buitenstaander in de Italiaanse filmwereld; een autodidact die zich omhoog had gewerkt met bedrijfsfilms voor energiebedrijf Edison, waar ook zijn beide ouders eerder werkten. Werk zou altijd een belangrijk thema in zijn films blijven, evenals zijn onnadrukkelijke, altijd aanwezige katholieke geloof.

Zelfs de baanloze en dakloze Andreas hervindt zijn levensmoed, als hij zich weer redelijk fatsoenlijk kan presenteren en een baantje vindt als verhuizer. Later zou Rutger Hauer nog een priester spelen voor Olmi in Il villaggio di cartone (2011). Over zijn samenwerking met Olmi, die hij typeert als een geestverwant en een ‘briljant persoon’, schrijft Hauer: „Je werk twee keer zo hard als anders en je vliegt.”

Peter de Bruijn is filmrecensent
    • Peter de Bruijn