Opinie

    • Ellen Deckwitz

De oude man en de riksja

Ellen

Een van de lastigste dingen van reizen, naast natuurlijk ebola en dronken Nederlanders, is pingelen. Als je te veel toegeeft voel je je een kneus, als je te weinig betaalt een profiteur, en zo ben je altijd de verliezer. Omdat mijn moeder de Charles Bronson van het afdingen is (en ik me daarvoor altijd doodgeneerde) heb ik deze vaardigheid altijd geweigerd te ontwikkelen. En dus stond ik laatst op een dinsdagmorgen in Djokjakarta totaal ongemakkelijk te onderhandelen met een bejaarde riksjarijder die 50.000 roepia wilde hebben (3 euro) om me naar een pleintje 750 meter verderop te brengen.

Uiteindelijk wist ik een derde van de prijs af te krijgen. Helemaal blij plofte ik neer op het bankje terwijl de man puffend en krakend plaatsnam op de trappers. Hij haalde diep adem en zette al zijn massa in om de riksja de weg op te krijgen. Nu ben ik niet zwaar (voor een Europeaan) maar terwijl we tergend langzaam in beweging kwamen, begon de man steeds zwaarder hoesten.

Op een zeker punt begon ik te vermoeden dat ik hem met mijn gewicht aan het vermoorden was (A new white man’s burden), zeker toen hij een steil weggetje niet meer op kwam. Hij stapte af en begon de riksja te duwen. Jongere rijders haalden ons in en lachten ons uit. Ik wilde meehelpen maar de man gebaarde dat ik weer moest gaan zitten, hij werd tussen het hyperventileren door zelfs een beetje boos.

Dit was een principekwestie geworden tussen leeftijd en helllingkracht. En terwijl ik weer plaatsnam dacht ik waarom doe ik dit, waarom is hij niet met pensioen, waar zijn zijn kinderen, wie zorgt er eigenlijk voor hem, waarom wilde ik per se pingelen, ik had hem best gewoon wat geld kunnen geven en kunnen gaan lopen, ook nog goed voor het milieu enzo.

Sputterend en rochelend hield hij echter vol en bereikten we na vijfentwintig minuten de afgesproken plek. Met zijn handen op zijn knieën probeerde hij op adem te komen. Ik gaf hem het dubbele van wat we hadden afgesproken. Vroeg in mijn steenkolen-Maleis of het wel ging. Hij wuifde het weg, en ik liep dus maar naar de ingang van het revolutiemuseum. Op de drempel keek ik nog even om. Natuurlijk hoopte ik dat zijn uitputting een showtje was geweest om me te straffen voor mijn krenterigheid. Dat ik hem nu fier zag wegfietsen en ik maar een domme beetgenomen westerling was, in plaats van dat dan hij een arme man uit een derdewerelddland bleef, die nog steeds zijn longen uit zijn lijf hoestte.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.
    • Ellen Deckwitz