De kunst van het converseren

Grunberg in het Stedelijk #16

De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

Oussama is een stille man die zelden deelneemt aan discussies. Zijn schilderijen doen aan het werk van Marlene Dumas denken. Op het bord dat in het museum hangt staat dat Oussama uit Syrië komt maar zijn biografie vermeldt dat hij Palestijns is. Na de lunch komt hij naar me toe en vraagt of ik weet hoe de kunstwereld in Nederland werkt. In Syrië was hij een bekend kunstenaar. Hij vertelt dat hij een zoontje van drie heeft die hij niet mee kan nemen naar het museum omdat die alles kapot zou maken. „Hij is wild”, zegt Oussama.

Ik weet niet hoe de kunstwereld in Nederland werkt, ik weet amper hoe de literaire wereld werkt. Hooguit zou ik volstaan met: „Prettig en hoogstaand is het niet.”

„Ik zal je voorstellen aan mensen die hier iets van weten”, zeg ik.

Dan ga ik naar de wc. Voor het invalidentoilet, waarop een bordje hangt dat het ook een geslachtsneutraal toilet is, staat een bezoeker. Hij maakt foto’s van het bordje.

De kunst hangt op de wc, dat geeft moed.

Sem komt langs, veertien jaar oud, hij zit op het Vossius Gymnasium. Volgende herfst wil hij met wat kinderen voor een half jaar gaan varen. Om officieel aan de leerplichtwet te voldoen schrijft hij zich in op een school in Zuid-Afrika. Zijn ouders vinden het prima.

Sem heeft voor de reis 22.500 euro nodig, een kleine 6.000 euro heeft hij al opgehaald. Hij vraagt of ik wil bijdragen. „Vanaf duizend euro zal jouw vlag worden gehesen”, zegt Sem met een aanstekelijk enthousiasme.

Het is een idee voor bedrijven om ook vluchtelingen te sponsoren. Koninklijke Olie zou shirts met ‘Koninklijke Olie’ erop naar Syrië en Afghanistan kunnen sturen. Als voetballers worden gesponsord waarom geen vluchtelingen? Vluchten is ook topsport.

George van Houts, de acteur, schuift aan. Hij heeft een voorstelling gemaakt, theatercollege noemt hij het, over 9/11. Dat het een inside job was. De gekaapte vliegtuigen zijn volgens hem niet in de torens gevlogen maar geland. De officiële versie van de gebeurtenissen is, zegt hij, wetenschappelijk onhoudbaar. Hij vraagt of ik wil komen kijken. „Misschien wordt het een polemisch debat”, stelt hij.

„Nee”, zeg ik, „ik respecteer iedereen, ook hen die in UFO’s geloven.”

Stel het oordeel uit, is mijn devies, slik het in. Ik bedrijf de kunst van het converseren in het Stedelijk. Die kunst bestaat bij de gratie van vriendelijke lafheid.

(Wordt vervolgd)