De eerste nederwiet was boerenkool

Softdrugs

In 1968 was cannabis een afrekening met de jenevercultuur. Hoe werden voor het cannabisbeleid van nu de zaadjes geplant?

Woonschip De Witte Raaf van Kees Hoekert, zetel van de Lowlands Weed Company, aan de Nieuwevaart in Amsterdam. De foto dateert van 1973. Foto J.M. Arsath Ro’is / Collectie Stadsarchief Amsterdam

Wernard Bruining zit in 1968 nog op de kweekschool als hij bij de Amsterdamse studentenvereniging ASVA zijn eerste joint krijgt aangereikt. Hij hoort de Rolling Stones, ziet alles bewegen en weet: „Dít is stoned zijn.”

Bruining wil onderwijzer worden. Totdat hij in een kring met andere studenten die eerste trekjes heeft geïnhaleerd. Dan realiseert hij zich dat ‘iets’ niet klopt. „Kweekschoolleerlingen werden niet opgeleid om anderen zich te laten ontplooien, maar om ze om te vormen tot mensjes die gehoorzamen.”

Een jaar later stopt Bruining met de kweekschool. In 1973 zou hij de eerste coffeeshop van Amsterdam openen: Mellow Yellow.

Rebelleren ging in ’68 net wat lekkerder met een jointje erbij. De naoorlogse generatie eiste meer autonomie op, en daar hoorde ook het recht auf Rausch bij. Wat was zelfbeschikking als je niet mocht beslissen of je wel of niet nuchter door het leven ging?

Vijftig jaar geleden trokken jeugdige babyboomers vol idealen ten strijde tegen het oude establishment. Wat is er over van hun idealen? Hoe vormden zij de kunst en cultuur? En waarom zit het revolutionair elan anno 2018 vooral op rechts? Deze maand besteedt NRC aandacht aan revolutiejaar 1968.

Lees de verhalen via nrc.nl/1968.

Ja, er was alcohol, alleen werd die geassocieerd met de ‘oude wereld’. „Jordaanliedjes en jenever in een café-biljart, dat was het wel”, zegt Hans Plomp, voormalig provo en co-auteur van de drugshandleiding Uit je bol. „De wederopbouw was verschrikkelijk, er was niks.”

Van cannabis had men tot de jaren zestig amper gehoord. Vooral zeelui rookten het en (zwarte) jazzmusici. Toen in Duitsland gelegerde Amerikaanse militairen op verlof gingen naar Amsterdam, steeg de vraag naar marihuana. De opkomst van de provobeweging zorgde voor de doorbraak.

De wiet komt dan nog uit het buitenland, en de haven van Rotterdam speelt een centrale rol. Zeelieden nemen regelmatig een paar onsjes mee. Er is niet veel controle, de pakketjes worden zo de kade op gegooid. En anders neem je een kilo mee van vakantie. Smokkel is alleen wel omslachtig, en blijft niet zonder risico’s.

De dierenwinkel biedt blowers een oplossing; duivenvoer bevat hennepzaad en is legaal. Oud-provo Kees Hoekert koopt een kilo duivenvoer en zaait het spul uit bij zijn woonboot in Amsterdam. En verdomd, na een tijdje steken daar hennepplantjes de kop op, pal tegenover het politiebureau. Hoekert begint in ’69 samen met Jasper Grootveld de Lowlands Weed Company, en verkoopt de plantjes waarvoor grote belangstelling is.

Lees ook Peace, hasj en de Fabeltjeskrant, het dagelijks leven in 1968

De halve wereld rond

De vergelijking met het buitenlandse spul kan die eerste oogst niet doorstaan. Plomp: „De eerste nederwiet was boerenkool.” Het gaat vooral om de symbolische waarde: dát hier geteeld kan worden. Bruining: „Kees creëerde daarnaast een sfeer waarvan men dacht: ach, die jongens zijn onschuldig, laat ze maar.”

Om meer te leren, reizen blowers de halve wereld rond. Welke zaadjes zijn geschikt en wat voor technieken gebruiken boeren in Afghanistan of Marokko? Plomp: „Er kwam steeds meer interesse in wat ze bijvoorbeeld in India met cannabis deden. Door drugs gingen wij andere culturen serieus bekijken, en we beschouwden ze niet als minderwaardig. Dat was echt onderdeel van de emancipatiebeweging.”

De oude wereld probeert intussen grip te krijgen op de experimenterende jongeren. Het aantal veroordelingen voor drugsvergrijpen stijgt: van 48 in 1966 naar 258 in 1968. Het overgrote deel betreft zaken met cannabis.

Tegelijkertijd verandert het maatschappelijk denken over cannabis – voorzichtig. Zo gaat justitie cannabis steeds milder aanpakken. Het aantal zaken waarbij het OM niet tot vervolging overgaat stijgt: 26 sepots in 1966 tegen 99 in 1968. Een jaar later zijn er zelfs méér sepots dan veroordelingen: 297 tegen 247. En ook hier draait het voornamelijk om cannabis. Het OM maakt gebruik van het opportuniteitsprincipe, waarbij het geen voorrang meer geeft aan de vervolging van blowers. Er zijn simpelweg te veel zaken.

Voor verantwoordelijk staatssecretaris Kruisinga (Sociale Zaken en Volksgezondheid, CHU) blijft het glashelder: marihuana is gevaarlijk, en hij signaleert „een tendentie bij het publiek, en misschien ook bij de pers, om het gevaar van marihuana te bagatelliseren”. Het gewas is volgens tegenstanders een opmaat tot zwaardere middelen. Die gedachte is bekend komen te staan als de stepping stone-theorie: wie begint met een joint, eindigt met een naald in de arm. Oud-provo Plomp: „Sommige uilskuikens gingen heroïne gebruiken, maar dat was een fractie van de blowers.”

Als psycholoog Herman Cohen de druggebruikers in kaart brengt, bevestigen zijn eerste conclusies de stepping stone-theorie: driekwart is na gebruik van cannabis overgestapt op heftigere middelen. De verklaring zoekt hij in de scene: de blowers verkeren in dezelfde illegaliteit als gebruikers en dealers van zwaardere middelen. Overstappen komt juist door het verbod.

Cohen pleit ervoor verschil te maken tussen softdrugs (hasj en wiet) en harddrugs. Het is een eerste aanzet tot de wijziging van de Opiumwet in 1976, waarin exact dat onderscheid is opgenomen. Jongerencentra Paradiso en Fantasio, die in ’68 worden gekraakt, nemen daar een voorschot op. De besturen stellen huisdealers aan die louter hasj en wiet verkopen, terwijl harddrugs worden geweerd. Ze zijn daarmee voorlopers van de coffeeshops.

Tweeslachtigheid

Vijftig jaar later is dat nog steeds de praktijk: de politie laat blowers met rust. Ze kunnen in coffeeshops terecht. Tegelijkertijd is er een ondergrondse industrie ontstaan die diezelfde shops bevoorraadt. Plomp: „Ik had gedacht dat cannabis net zo legaal als tabak zou worden.”

Om een einde te maken aan die tweeslachtigheid, heeft het kabinet een proef met gereguleerde wietteelt aangekondigd. Wernard Bruining heeft, als coffeeshopbaas en voorzitter van stichting Mediwiet, met de commissie gesproken die de proef begeleidt. Hij is sceptisch: „Ze willen deelnemende coffeeshops dwingen alleen hún legale wiet af te nemen. Daar begin je als coffeeshop nooit aan: dan zou je alle soorten wiet, ook buitenlandse, moeten vervangen door een paar legale soorten.” In dat geval zouden klanten de deelnemende coffeeshops links laten liggen, verwacht hij, en bij de concurrent of op straat hun favoriete wiet kopen. „De shops hebben daar helemaal geen belang bij.”

De afloop van het experiment is zo voorspelbaar, meent Bruining. „De conclusie zal zijn: we hebben het geprobeerd, maar het lukt niet.”

    • Philippus Zandstra