15.000 vrouwen werkten onder dwang

Dwangarbeid

Slachtoffers van de katholieke Zusters van de Goede Herder willen erkenning en nabetaling.

Foto Smit Almelo

Zeker 15.000 meisjes en vrouwen hebben in Nederland tussen 1860 en 1973 in wasserijen en naaiateliers van katholieke gestichten onbetaalde dwangarbeid gedaan.

Dat blijkt uit onderzoek van NRC naar de aard en omvang van dwangarbeid in de zogenoemde „liefdesgestichten” van de Zusters van de Goede Herder in Tilburg, Zoeterwoude, Almelo en het Gelderse Velp. De congregatie kwam begin deze eeuw al in Ierland in opspraak wegens de uitbuiting van meisjes en vrouwen in zogenoemde Magdalene-wasserijen. De Ierse regering erkende schuld, bood excuses aan en betaalde compensatie.

In Nederland eisen nu vijf vrouwen, die als meisjes jarenlang onbetaald moesten werken, erkenning en uitbetaling van het niet-ontvangen loon. De zusters laten aan NRC weten dat ze vorig jaar hun excuses hebben aangeboden. Overigens weigeren ze tot nu toe te betalen. De vordering is „geruime tijd verjaard”, schreven de zusters aan de vrouwen. Ook in Ierland compenseerden ze slachtoffers niet.

De vijf vrouwen worden gesteund door lotgenotenorganisatie Vrouwenplatform Kerkelijk Kindermisbruik (VPKK). Die wil dat de overheid, net als in Ierland, onafhankelijk onderzoek laat doen naar de uitbuiting en de rol van de overheid.

De meisjes en vrouwen heetten ‘gevallen vrouwen’. Soms waren ze prostituee of ongehuwd zwanger, maar vaker wees, verwaarloosd, misbruikt, gehandicapt of veroordeeld voor een klein vergrijp. Tot de jaren zeventig werden de meisjes, doorgaans tegen hun wil, in de gestichten geplaatst door de regering, voogdijverenigingen, kinderbescherming of ouders.

Het werk in de wasserijen en naaiateliers, gepresenteerd als ‘arbeidstherapie’ en boetedoening, was in werkelijkheid een verdienmodel. De opdrachten kwamen van textielfabrieken, confectiebedrijven, hotels, ziekenhuizen, particulieren, de kerk en de overheid. Zo bleek in 1933 dat een order voor 40.000 legerhemden bij de nonnen terechtkwam. Wassen en naaien was de grootste inkomstenbron voor de congregatie, blijkt uit jaarstukken. In Zoeterwoude kwam in 1934 meer dan de helft van de inkomsten van dwangarbeid en het kostgeld dat voor de meisjes betaald werd.

Wassen voor de Oranjes

Volgens het Erfgoedcentrum voor Nederlands Kloosterleven maakten de vrouwen en meisjes ook een uitzet voor het Koninklijk Huis, waarschijnlijk die van prinses Juliana. In Velp zouden de damasten tafellakens van prinses Margriet zijn gewassen en gesteven.

Alleen al in Zoeterwoude verbleven 3.800 meisjes en vrouwen (tussen 1860 en 1960), in Almelo 3.700 (1876-1951). Velp en Tilburg weken in omvang niet veel af. De omstandigheden waren zwaar. De meisjes en vrouwen verloren hun vrijheid. Ze kregen een nieuwe naam, werden gedwongen elke dag, behalve zondag, te werken, waarbij praten verboden was. ‘Opstandige’ meisjes werden met medicatie rustig gehouden. Hoge muren omgaven de gestichten. Vrouwen die ontsnapten, werden opgespoord en teruggebracht door de politie.

Verkracht door de rector

Dan was er nog het seksueel misbruik. Margôt Verhagen (85) uit Den Haag werd als meisje verkracht door de rector van het gesticht in Velp. Haar klacht hierover is in 2016 gegrond verklaard door de commissie die het kindermisbruik in de Kerk onderzocht. Slechte voeding, een hard strafregime en gebrekkige medische zorg eisten ook hun tol. Honderden meisjes en vrouwen stierven in de gestichten, vooral vóór de oorlog. De ‘Doodenlijst der bijzondere begraafplaats’ van het gesticht in Velp telt 214 namen van „verpleegden”, van wie 80 minderjarig.

Onderwijs was er niet of nauwelijks, productiewerk stond voorop. Al in 1939 werd toenmalig aartsbisschop Jan de Jong per brief gewaarschuwd door de Nijmeegse hoogleraar Frans Rutten dat in Velp door het vele „aangenomen confectiewerk” het onderwijs moest wijken. In latere jaren werd het regime minder streng. Maar uit getuigenissen van lotgenoten blijkt dat er ook tussen 1950 en 1970 nog dwangarbeid was en de leerplicht soms ontdoken werd.

De katholieke pers en de jaarverslagen van de Goede Herder schetsten een zonniger beeld van de situatie. Nergens werd gesproken over het gedwongen productiewerk. De dwangarbeid is niet onderzocht door de commissie-Deetman. Die deed in 2010 onderzoek naar seksueel misbruik in de Kerk en, in 2013, naar geweld tegen minderjarige vrouwen in de Kerk. Lotgenotenorganisatie VPKK vroeg Deetman ook de dwangarbeid te onderzoeken, maar volgens de commissie viel dwangarbeid niet onder de definitie van ‘geweld’. VPKK-bestuurslid Annemie Knibbe: „Commissielid Pieter Kalbfleisch zei het zo: ‘Van werken is nog nooit iemand slechter geworden’.” Kalbfleisch reageerde niet op een verzoek om commentaar.

Aanvulling 27 juni 2018: Per brief van zijn advocaat Germ Kemper heeft Pieter Kalbfleisch op 21 juni 2018 gereageerd op de aan hem toegeschreven uitlating in dit artikel. Kemper schrijft: ,,Kalbfleisch heeft zich nimmer uitgelaten in bewoordingen als door NRC-Handelsblad weergegeven, en evenmin overigens iets gezegd met dezelfde en onjuiste strekking.”

    • Joep Dohmen