Shell wist het allemaal al lang

Broeikaseffect Dat Shell al lang op de hoogte was van de risico’s van het gebruik van olie en gas, was bekend. Maar al in 1962 waarschuwde het hoofd van de eigen geologische dienst dat Shells activiteiten konden leiden tot ‘een ernstige vergiftiging van de atmosfeer’.

Een Nederlands Shell-benzinestation uit de jaren zestig Foto: Nationaal Archief

In 1959 viert het American Petroleum Institute (API) trots zijn honderdste verjaardag met het symposium Energy and Man. Gastheer is Shell-baas Max Burns, op dat moment voorzitter van het instituut, dat de belangen van de olie-industrie behartigt. Een van de sprekers is de beroemde Hongaars-Amerikaanse natuurkundige Edward Teller, de ‘vader van de waterstofbom’. In zijn lezing waarschuwt Teller dat oliemaatschappijen snel op zoek moeten naar alternatieven voor kolen, olie en gas. Want bij de verbranding ervan komt kooldioxide vrij.

Dat gas is weliswaar transparant, onzichtbaar en reukloos en het vormt geen direct gevaar voor de menselijke gezondheid, maar het heeft volgens Teller wel een andere, vreemde bijwerking. Kooldioxide „absorbeert de infrarode straling die door de aarde wordt uitgezonden”, houdt Teller zijn gehoor van oliebaronnen, economen, historici en politici voor. „In de atmosfeer zorgt dat voor een broeikaseffect.”

Decennia voordat klimaatverandering een serieus maatschappelijk thema werd, kenden Shell en andere oliemaatschappijen al de risico’s die het gebruik van hun producten met zich meebrengt voor de opwarming van de aarde. Het is kennis die ze nu wel eens duur te staan kan komen en waarvoor ze zich steeds vaker publiekelijk moeten verantwoorden.

Aandeelhoudersvergadering

Wat wisten ze precies? Wanneer wisten ze het? En vooral: waarom hebben ze niets gedaan, toen ze begrepen hoe gevaarlijk de uitstoot van broeikasgassen voor de planeet zou kunnen zijn?

Klimaatverandering is dinsdag een van de belangrijkste thema’s op de aandeelhoudersvergadering van Shell. Onder aanvoering van de activistische aandeelhouders van Follow This neemt de druk op het bedrijf toe om het roer om te gooien: hou je aan de afspraken die de wereld in 2015 op de klimaattop in Parijs heeft gemaakt, laat het grootste deel van de olie- en gasreserves onaangeroerd en gebruik het geld voor investeringen in duurzame energie. Die wens wordt ook door steeds meer institutionele beleggers overgenomen. Zij vrezen dat hun investeringen verloren gaan als overheden de uitstoot van broeikasgassen verder inperken.

Verander Shell, koop aandelen, bedacht oud-journalist Mark van Baal, nu aanvoerder van Follow This, een aantal jaren terug. Lees ook: Kleine belegger Mark van Baal probeert Shell duurzamer te krijgen

Daarnaast moeten Shell en andere grote oliemaatschappijen zich ook in de rechtszaal vaker verantwoorden. New York, San Francisco en sinds kort ook Seattle eisen geld om zich beter te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering die mede door oliemaatschappijen is veroorzaakt. In Nederland wacht Shell een dagvaarding door Milieudefensie en inmiddels ruim 10.000 medeklagers, die via de rechter willen afdwingen dat het bedrijf zijn beleid in overeenstemming brengt met het klimaatakkoord van Parijs.

Akelig dicht bij wat we nu weten

Al kloppen de getallen van Edward Teller op het API-symposium nog niet precies, zijn visie komt akelig dicht bij wat de huidige klimaatwetenschap vertelt: „Op dit moment zit er 2 procent meer kooldioxide in de atmosfeer dan normaal. Rond 1970 zal dat misschien 4 procent zijn, in 1980 8 procent in 1990 16 procent, als we doorgaan met het gebruik van puur conventionele brandstoffen.” Dat betekent volgens Teller dat de infraroodstraling niet goed weg kan en dat de planeet dus steeds „een beetje warmer” wordt. Hoeveel? Dat is volgens hem moeilijk te zeggen. Het kan 2 graden Fahrenheit zijn (ruim één graad Celsius), maar ook 1 of 5 graden.

Volgens Teller zal een toename van 10 procent kooldioxide een temperatuurstijging veroorzaken die genoeg is om „ijskappen te laten smelten en New York onder te dompelen. Alle kuststeden zouden worden geraakt, en omdat een aanzienlijk percentage van de mensheid in kustregio’s woont, vrees ik dat deze chemische vervuiling ernstiger is dan de meeste mensen denken.”

Het is onduidelijk of Shell-baas Burns, een jaar voor zijn pensioen, schrikt van wat Teller op het symposium vertelt. Zeker is wel dat Shell het onderwerp niet loslaat. In 1962 schrijft Marion King Hubbert, hoofd van de geologische dienst van Shell, dat het „snel toenemende gebruik van fossiele brandstoffen, waar na verbranding voornamelijk water en kooldioxide van overblijft, tot een ernstige vergiftiging van de atmosfeer” kan leiden. Hubbert vermoedt dat er al sprake is van een verandering van het klimaat „in de richting van hogere gemiddelde temperaturen”. Hij wijst op een pleidooi van de Britse Yale-professor Evelyn Hutchinson, volgens velen de eerste moderne ecoloog, voor „het maximaal gebruiken van zonne-energie”.

Via het American Petroleum Institute blijft Shell op de hoogte van de laatste stand van de wetenschap. In 1968 laat het API door het Stanford Research Institute een breed onderzoek doen naar luchtvervuiling. Elmar Robinson en R.C. Robbins noemen in hun rapport Sources, abundance, and fate of gaseous atmospheric pollutants de uitstoot van broeikasgassen „een groot geofysisch experiment” van de mensheid met zijn omgeving. Ze vrezen dat „een forse stijging van de temperatuur op aarde zal leiden tot verschillende gebeurtenissen, waaronder het smelten van de Antarctische ijskap, een stijging van de zeespiegel, een opwarming van het oceaanwater en een toename van fotosynthese”.

In het onderzoek staat ook wat broeikasgassen zo problematisch maakt: „Wat ontbreekt is een systeem om de CO2-uitstoot onder controle te krijgen.” Zwavel, lood en andere vervuilende elementen zijn met een beetje moeite wel uit fossiele brandstof te verwijderen. Maar kooldioxide is een onvermijdelijk restproduct bij de verbranding van kolen, olie en gas. De oliemaatschappijen beseffen dat de kennis over klimaatverandering maar tot één conclusie zal leiden: fossiele brandstoffen zijn de boosdoener en het gebruik ervan moet drastisch omlaag.

Opwarming bewust gerelativeerd

Voor broeikasgassen is daarom een andere strategie nodig dan voor andere vormen van vervuiling. Gewoonlijk gebruikt de olie-industrie de wetenschap om hun producten schoner te maken of om overheden ervan te overtuigen de industrie zijn gang te laten gaan („Een nieuwe wet is, in veel gevallen, de verkeerde manier om een begin te maken met het oplossen van een luchtvervuilingsprobleem”, schrijft het API in 1954).

Nu dat niet werkt, kiezen ze ervoor om via lobbyorganisaties en bijklussende wetenschappers de klimaatkennis zelf ter discussie te stellen. Bestaande onzekerheden worden stevig aangezet, de opwarming wordt zoveel mogelijk gerelativeerd en de enigszins naïeve openheid waarmee tot diep in de jaren zestig nog over het broeikaseffect wordt geschreven, verdwijnt.

Een voorbeeld daarvan is het verslag uit 1972 van de National Petroleum Council (NPC) over Environmental Conservation. Volgens de NPC, een adviesraad van het Amerikaanse ministerie van Energie, hoeft de wereld zich voorlopig niet druk te maken over het klimaat: „Het lijkt een gerechtvaardigde conclusie dat zeker tot het einde van de [twintigste] eeuw onmogelijk is vast te stellen of we te maken hebben met een serieus probleem.”

Mocht later blijken dat grote veranderingen nodig zijn, dan is de samenleving volgens de NPC prima in staat om dat probleem het hoofd te bieden met behulp van sociale of technologische oplossingen. „Zoals ze dat in de loop van de geschiedenis altijd heeft gedaan.”

Tekening Kamagurka

    • Paul Luttikhuis