India wil van rijstboeren tuinbouwers maken - en Nederland moet daarbij helpen

Watercrisis Het verbouwen van rijst in de Indiase regio Haryana kost te veel water. Daarom wil de overheid dat boeren overstappen op tuinbouw. Op de Nederlandse handelsmissie die dinsdag begint, staat dat onderwerp hoog op de agenda.

Indiase boeren telen graag rijst en tarwe, omdat de overheid minimale prijzen garandeert Foto Eva Oude Elferink

Het gevaar in Haryana, in het noorden van India, is te herkennen aan een betonnen huisje. Overal in het landschap vol strogele velden doemen ze op, zo ook op het land van Seva Singari (63), een goedlachse boer met een grijze snor en dito haar. Ze markeren de plek waar zijn waterputten staan, twee stuks, zonder welke hij hier onmogelijk tarwe en rijst uit de dorre grond kan toveren. Maar ze geven Singari ook de nodige kopzorgen, de laatste jaren steeds meer.

India – en zeker het hoge, droge noorden – kampt met een watercrisis die zich steeds dwingender laat voelen. Terwijl begin mei de temperatuur overdag de 40 graden al ruim passeerde, waren de waterreservoirs in deze regio na een regenarme winter slechts voor 19 procent gevuld, meldde de Centrale Watercommissie. Vorig jaar was dat rond deze tijd 26 procent. Dramatischer nog is wat er onder het oppervlak gebeurt.

Vroeger, vertelt rijstboer Singari, hoefde hij alleen zijn os rondjes om de put te laten draaien en hij had water. Nu wordt vanuit het huisje een motor aangejengeld die tientallen meters diep onder de grond zit. Tussen vroeger en nu zit bijna vijftig jaar en wat India’s Groene Revolutie is gaan heten: aangemoedigd door de Indiase overheid verruilden boeren vanaf eind jaren zestig hun ossen voor tractoren, deed kunstmest zijn intrede en werden op grote schaal irrigatiesystemen aangelegd.

Maar, zegt hij nu: „Dat is ook waar het drama met het water begon.”

Het grondwaterpeil in Haryana, dat grotendeels bestaat uit boerenland, is sinds de revolutie op sommige plekken met bijna 20 meter gedaald. Voor Singari, die net als de meesten hier naast tarwe en gewone rijst ook basmati verbouwt, betekent dat: steeds dieper graven om zijn velden onder water te kunnen zetten. Hing de motor in zijn put rond de eeuwwisseling nog zo’n 18 meter onder de grond, nu is dat ruim 40 meter, zegt hij.

In een poging het tij te keren, nam de lokale regering in Haryana al verschillende maatregelen. Zo kwam er een einde aan de ongebreidelde (en ongecontroleerde) aanleg van waterputten en werden zogenoemde 60-dagen-gewassen, zo mogelijk nog grotere waterslurpers dan tarwe en rijst, verboden. Maar de regering wil nog een stap verder gaan: door rijstboeren over te halen de overstap te maken naar tuinbouw. En Nederland wil daar graag bij helpen.

Seva Singari (tweede van links) met collega boeren Ratan Singh (helemaal links) en Tek Chand (tweede van rechts) in het kantoor van een lokale vakbond voor boeren. Foto Eva Oude Elferink

Hollanders

‘De Hollanders’ zijn in Haryana welbekend. Zo hielpen Nederlandse experts van Wageningen University in de jaren negentig al om de oprukkende bodemverzilting in de deelstaat (een gevolg van de irrigatiesystemen) tegen te gaan. Ook de banden met de Haryana Agriculture University in Hisar zijn nauw.

Met name die samenwerking staat hoog op de agenda tijdens de Nederlandse handelsmissie die deze week in India van start gaat. In Karnal, op zo’n 175 kilometer van de universiteit in Hisar, wordt namelijk druk gebouwd aan een nieuwe dependance die volledig is gericht op tuinbouw. „Daarvoor hebben we de expertise van Wageningen nodig”, zegt Surender Kumar Sehrawat, sinds enkele maanden hoofd Onderzoek van de Haryana Agriculture University.

Vooral als het gaat over ‘beschermde teelt’ in kassen, iets waar ze op de campus in Hisar al op kleine schaal mee experimenteren. Onlangs kreeg Sehrawat dan ook goed nieuws. De Wereldbank heeft hun een lening van omgerekend zo’n 625 duizend euro verstrekt om te investeren in de nieuwe tuinbouwuniversiteit en een bijbehorend onderzoekscentrum dat samen met Wageningen zal worden opgezet.

Een muurschildering in Karnal.
Foto Eva Oude Elferink
Foto Eva Oude Elferink
Foto Eva Oude Elferink

Maar om de boeren in zijn regio aan het telen van guaves en komkommers te krijgen, is meer nodig, weet ook Sehrawat. „Bij tuinbouw is het verlies na de oogst veel hoger, zo’n 10 tot 15 procent, omdat de producten bederfelijk zijn.” Gekoelde opslag kennen ze hier („nog”) niet, grote markten zijn er vrijwel alleen voor tarwe en rijst. Sehrawat: „Tweederde van de boeren in Haryana moet rondkomen van een stukje grond dat niet groter is dan 2 hectare. Zij kunnen het zich niet veroorloven risico’s te nemen. En bij groente en fruit geldt: geen risico, geen winst.”

Tarwe en rijst daarentegen zijn veilig, vooral omdat de Indiase overheid voor die producten minimale garantieprijzen heeft vastgesteld. Boeren zijn daardoor niet overgeleverd aan de grillen van de markt; wat ze niet kunnen verkopen, wordt door de overheid opgekocht.

De klimaatverandering begint India pijn te doen. Boeren plegen zelfmoord vanwege de droogte. Lees ook: Droogte en schulden: boer Ram zag alleen in de strop een uitweg

Garantie

Dat is ook waarom rijstboer Singari nog maar een klein deel van zijn land voor basmati gebruikt – waarvoor geen garantieprijs geldt. Zelfs al kreeg hij er vorig jaar 3.300 rupees (41 euro) per 100 kilo voor; twee keer zoveel als voor zijn gewone rijst. Alles is duurder geworden, zegt hij. „De zaden, pesticiden.” En dan zijn er nog zijn putten. Singari moet niet alleen dieper graven om bij water te komen, hij heeft ook een steeds krachtigere motor nodig.

Net als het merendeel van zijn collega’s leeft de boer van het voorschot dat hij krijgt van zijn tussenhandelaar in Karnal. Na de oogst betaalt Singari hem terug in zakken graan en rijst. Zo redt zijn gezin het net, zegt hij. „Vroeger hadden we geen schulden. Nu heeft iedere boer een schuld.”

Dus ja, hij wil best iets verbouwen waarvoor niet zoveel water nodig is. Singari weet ook dat het anders een kwestie van tijd is voordat dieper graven geen zin meer heeft. Het maakt hem niet eens zoveel uit wát. „Als ik het maar kan verkopen.” Tot die tijd blijft zijn pomp draaien.

In de fabriek van Vijay Setia, een rijstexporteur. Zijn merk rijst heet Maharani rice. Foto Eva Oude Elferink