opinie

    • Caroline de Gruyter

Geo-economie: het nieuwe oorlogvoeren

Deze week besloten Europese regeringsleiders in Sofia om Europese bedrijven die zakendoen met Iran tegen Amerikaanse strafmaatregelen te beschermen. Zij hebben het recht aan hun kant. Iran bouwt zijn nucleaire programma af en in ruil mogen westerse bedrijven weer zakendoen met Iran. Deze deal, uit 2015, is door de VN-Veiligheidsraad goedgekeurd. Iedereen houdt zich er keurig aan, behalve Amerika.

Het activeren van een Europees blocking statute dat de reikwijdte van Amerikaanse sancties beperkt, of het instellen van kredietfinanciering via de Europese Investeringsbank geven misschien eventjes lucht. Maar op den duur gaat dit Europa niet helpen. De manier waarop Trump de Iran-deal de nek omdraait, zonder enige consideratie met zijn Europese bondgenoten, past namelijk perfect in een nieuw tijdperk: dat van de geo-economie. In de geo-economie voeren landen liever geen conventionele oorlog ter land of zee. Nee, ze laten anderen in het stof bijten door de infrastructuur van de geglobaliseerde economie keihard tegen hen in te zetten. President Poetin gebruikt gas- en olieleveranties en cyberhackers als wapen. President Erdogan perst de EU af met vluchtelingen. Trump pokert met tariefmuren en sancties. Het hele naoorlogse multilaterale systeem wordt onklaar gemaakt.

De Europese Unie zou temidden van deze geo-economische veldslagen stand moeten kunnen houden. Ze is een economische gigant. Al jaren gebruiken de Europeanen economische macht om de wereld in het gareel te dwingen. Door het enorme gewicht van regelgeving op de interne markt voelen andere landen zich gedwongen dezelfde regels in te voeren.

De EU werkt vaak met sancties, en koppelt ontwikkelingshulp aan politieke of sociale hervormingen. Maar Europa heeft één fenomenale zwakheid: monetair gesproken is zij een nul. Daardoor bokst ze internationaal permanent onder haar gewicht.

Waarom kan Amerika, in weerwil van internationaal recht of afspraken met transatlantische vrienden, Europese bedrijven kapotmaken als het dat wil? Simpel: omdat de wereldeconomie om de dollar draait. 88 procent van alle financiële transacties ter wereld vindt in dollars plaats. De dollar is, als ’s werelds reservemunt, de bedrading van de globalisering. Een bedrijf in land A dat een bedrijf in land B betaalt, van de ene munt naar de andere, doet dat tien tegen één via een financiële instelling die de dollar gebruikt – en is daarmee kwetsbaar voor politieke bedenksels in Washington. De euro is ’s werelds tweede reservemunt. Maar slechts een fractie van de mondiale financiële transacties vindt in euro’s plaats. Omdat bijna alle banken in dollars handelen, zullen zij uit voorzorg klanten mijden die iets met Iran te maken hebben. Daar helpt geen Veiligheidsraadsresolutie tegen.

Europa kan nu twee dingen doen. Eén: accepteren dat de Iran-deal kapot is en buigen voor de almacht van de greenback. Twee: doorvechten voor een fair multilateraal systeem dat drijft op regels en afspraken in plaats van op bruut, onberekenbaar geo-economisch machtsvertoon. Maar dan moeten de Europeanen de euro versterken. Frankrijk en Italië hebben de euro altijd als machtsmiddel gezien, waarmee Europa de Amerikaanse hegemonie kan temperen door zelf een grotere rol te spelen op het wereldtoneel. Maar Duitsland haat machtsvertoon en wil maar over één ding praten: prijsstabiliteit. Nederland steunt dit van harte.

We kunnen de euro versterken door hem een solide, meer gemeenschappelijke basis te geven. Als de munt blijft rusten op wankele bilaterale leninkjes, „ieder zijn broek ophouden” of één Slowaakse parlementariër die noodleningen blokkeert, zal de wereld haar nooit als alternatief voor de dollar gebruiken. Diegenen die een sterke euro tegenwerken, moeten ophouden met jammeren over president Trump.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.
    • Caroline de Gruyter