Zwarte gaten in universum van buismug en bochelvlieg

Insectenstand Het gaat ook in Nederland slecht met de meest soortenrijke dierklasse op aarde, die van de insecten. Maar hoe slecht, weten we nog steeds niet goed. Vier vragen en antwoorden over wat we wel en niet weten.

De achteruitgang van de bijen heeft zich over decennia voltrokken. Er lijkt sprake te zijn van een stabilisering, maar wel op een laag niveau. Foto Reuters

We wisten al dat het met de dagvlinders en de bijen slecht gaat. Deze week kwamen de nachtvlinders en de loopkevers erbij. In drie natuurgebieden in Nederland – een in Brabant, twee in Drenthe – zijn hun aantallen in twintig jaar tijd gehalveerd. Natuurmonumenten rapporteerde het deze week. Maar wat zegt dit?

Insecten zijn de meest soortenrijke dierklasse op aarde. Oké, met een paar groepen gaat het slecht. Veelal groepen waar de vaak wekelijks, vrijwillig eropuit trekkende waarnemers in geïnteresseerd zijn. Maar hoe zit het met al die minder aaibare soorten: de buismuggen, de bochelvliegen, de oorwormen, de vlooien, de tripsen? „Een belangrijke constatering is dat we feitelijk niet precies weten hoe slecht het met insecten in Nederland gaat.” Zo staat het letterlijk in een drie weken geleden verschenen rapport over trends in insectenpopulaties in Nederland. Het onderzoek was uitgevoerd in opdracht van minister Schouten (Landbouw, ChristenUnie). Eerste auteur van het rapport is David Kleijn, hoogleraar plantenecologie en natuurbescherming aan de Wageningen Universiteit. „Dat vond ik het meest schokkend om achter te komen. Dat we er zó weinig over weten”, zegt hij. „Het zijn van die voor de hand liggende dingen. Maar het was me nooit eerder zo door het hoofd gegaan.”

Insecten zijn dus grotendeels nog „een zwart gat”, zegt Kleijn. Maar wat weten we wel? Wat zeggen de alarmerende studies die de laatste tijd zijn verschenen? Vier vragen en antwoorden.

1 Wat zegt het deze week verschenen onderzoek precies?

In drie natuurgebieden is langjarig onderzoek gedaan naar verschillende groepen insecten. In de Kaaistoep bij Tilburg worden sinds 1997 nachtvlinders en kevers geturfd die na zonsondergang in een lichtval (een wit doek met een lichtbron erachter) belanden. Dat gebeurt op soort en op aantal. Sinds 2006 wordt hetzelfde gedaan voor onder meer schietmotten, haften en halfvleugeligen (luizen, wantsen).

In Nationaal Park Dwingelderveld en in Hullenzand, twee natuurgebieden in Drenthe, wordt sinds 1959 onderzoek gedaan naar soorten en aantallen loopkevers die in een van de potvallen belanden die er op 48 locaties zijn opgesteld.

De jarenlang verzamelde data zijn de afgelopen maanden geanalyseerd.

Essentieel bij het vangen en turven van insecten in het veld is standaardisering van de omstandigheden. Alles moet zoveel mogelijk hetzelfde zijn, elk jaar weer. Voor de Kaaistoep gaat dat grotendeels op, maar niet helemaal. Het aantal avonden dat de vrijwilligers van de insectenwerkgroep Tilburg met hun lichtval het natuurgebied introkken, varieerde in de periode 1997-2017 van 10 tot 77. En vanaf 2009 nam het gemiddeld aantal gemeten uren toe van 3 naar 4. „Ideaal zou zijn als je elk jaar op exact dezelfde avonden erop uit gaat”, zegt werkgroeplid Jan Willem van Zuijlen, gespecialiseerd in vliegen en muggen. „Maar soms regent het pijpenstelen”, vult zijn collega Ron Felix (loopkevers) aan. „Het blijft toch vrijwilligerswerk.” En Van Zuijlen weer: „Je kunt met die onregelmatigheden rekening houden in de statistische analyse.” En, zo benadrukken ze, verder was er heel veel wel hetzelfde. De lichtval is steeds op dezelfde plek opgesteld. Steeds vlak voor zonsondergang. Elk uur werden temperatuur, luchtvochtigheid, windrichting en windsterkte genoteerd.

De Wageningse hoogleraar David Kleijn beaamt dat je voor kleine onregelmatigheden kunt corrigeren in je analyse. „Als je dataset maar groot genoeg is.” Dat was in het geval van de nachtvlinders en de loopkevers zeker zo.

Dan is nog de vraag in hoeverre de gemeten afname van nachtvlinders en loopkevers is te generaliseren? „Je moet daar voorzichtig mee zijn”, zegt de Wageningse hoogleraar Kleijn. Het zou kunnen dat de afname te maken heeft met veranderde omstandigheden die specifiek zijn voor die natuurgebieden.

2 Hoe zat het ook weer met die alarmerende Duitse studie?

Aanleiding voor het onderzoek in de Kaaistoep en Drenthe was een in oktober gepubliceerde studie in PLOS ONE. In 63 natuurgebieden in Duitsland bleek de totale massa van vliegende insecten in 27 jaar tijd met 75 procent afgenomen. De studie, die was uitgevoerd door onderzoekers van de Radboud Universiteit in Nijmegen en van de Entomologische Vereniging Krefeld, kreeg veel aandacht. Van de media, maar ook van de politiek. „Snel daarna zijn we in Nederland gaan inventariseren of er ook hier langjarige en gestandaardiseerde vangstdata zijn”, zegt Caspar Hallmann, eerste auteur van de Duitse studie, en ook eerste auteur van het Natuurmonumentenrapport.

Voor minister Schouten was het Duitse onderzoek aanleiding om een studie uit te zetten naar de situatie van insecten in Nederland. Dat rapport verscheen drie weken geleden.

Het staat nadrukkelijk stil bij de opzet en kwaliteit van het Duitse onderzoek, omdat een aantal entomologen er kritiek op had. En heeft. Kees Booij van de Wageningen Universiteit is één van hen. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af wat dat zegt, een afname in biomassa van 75 procent? Is het echt zo dramatisch? Misschien zijn zware soorten sterker achteruitgegaan dan lichte soorten. „Je moet weten welke soorten in je monsters zitten om de redenen te achterhalen waarom ze minder gevangen worden”, zegt Booij. Nu is daar niks over zeggen, omdat alleen de totale massa van de gevangen dieren is gewogen. Het rapport geeft de critici daarin gelijk. Zonder informatie over de soortensamenstelling is het moeilijk een vinger te krijgen achter de onderliggende patronen voor de achteruitgang. Daarom zijn de vrijwilligers in Krefeld nu begonnen al die miljoenen insecten afzonderlijk op soort te benoemen, en te wegen. Een monnikenwerk, dat jaren zal duren.

Ook ergert Booij zich eraan dat de pers de bevindingen veralgemeniseerde naar heel Duitsland. Van de 63 onderzochte natuurgebieden lagen er 57 in de deelstaat Noordrijn-Westfalen, dicht bij elkaar. Ook daarin geeft het rapport de critici gelijk.

Ondanks dat noemt het rapport de studie van Hallmann et al. „robuust”. De Wageningse onderzoeksgroep Biometris, gespecialiseerd in statistische analyse van biologische processen, heeft alle data opnieuw geanalyseerd, op verschillende manieren. En kwam tot dezelfde conclusie over de afname in biomassa: „Er is een vrijwel perfecte lineaire achteruitgang.”

3 Wat is de vermoedelijke oorzaak van de achteruitgang?

Het is „zeer lastig” om oorzaken van langetermijntrends bij insecten vast te stellen, doordat ecosystemen zo complex zijn. Dat schrijven de auteurs van het rapport over trends in insectenpopulaties in Nederland. Soorten reageren verschillend op veranderende omstandigheden in bijvoorbeeld voedselaanbod, weer. De ene verandering in de omgeving kan het effect van de andere versterken, of teniet doen. Sommige insectensoorten fluctueren door de jaren heen zeer sterk in aantal, onder invloed van weer, milieu-omstandigheden, toeval.

Maar ondanks die complexiteit, schrijven de onderzoekers, rijst er voor Europa een beeld op. In ieder geval voor de vijf groepen waarvan natuurorganisatie IUCN een Europese Rode Lijst heeft opgesteld – vlinders, houtbewonende kevers, libellen, bijen en sprinkhanen. Voor hen vormt de intensivering van de landbouw de belangrijkste bedreiging. Ruilverkaveling en monocultures hebben voor hoogproductieve, maar ook zeer soortenarme graslanden en akkers gezorgd. Door een gebrek aan bloeiende planten neemt het aantal insecten af – waar insecteneters dan weer onder lijden. Natuurgebieden raken meer versnipperd. Verder zijn er negatieve effecten van het overschot aan mest uit de veehouderij, bestrijdingsmiddelen, maaibeheer, waterbeheer.

Het rapport somt allerlei studies op die een samenhang hebben laten zien tussen een toenemende intensivering van de landbouw en een afname in aantal soorten en abundantie (het aantal individuen van een soort) van insecten. Conclusie: bij voortzetting van het huidige landbouwsysteem lijkt het niet mogelijk de biodiversiteit aan insecten in Nederland duurzaam te behouden en herstellen.

4 Wat is er aan de achteruitgang te doen?

Kleine aanpassingen aan het landbouwsysteem zijn waarschijnlijk onvoldoende, stelt het rapport. Er zijn omvangrijke en structurele veranderingen nodig. Niet alleen bij de boer, maar in de hele keten, het beleid, de financiering.

In Nederland loopt nu op kleine schaal een initiatief waarbij boeren zoveel mogelijk rekening houden met de natuur. Ze gebruiken geen kunstmest, geen bestrijdingsmiddelen, geen krachtvoer. Ze leggen akkerranden met bloeiende planten aan, plaatsen houtwallen, struiken. Het gras wordt ingezaaid met meerdere soorten gras, klavers en kruiden.

Minister Schouten moedigt dit aan, zo schreef ze in een brief die ze drie weken geleden met het ‘insectenrapport’ aan de Kamer stuurde. Ze wil dat in landbouwgebieden meer ruimte komt voor natuur. De vraag is hoe snel dit zal gaan. Volgens de minister moet er „werkende weg” ervaring worden opgedaan. GroenLinks heeft een spoeddebat aangevraagd over de insectenafname. De partij wil een snellere omslag.

    • Marcel aan de Brugh