Zo voelt de ‘zwaarste klim van Europa’ op de fiets

Giro d’Italia Monte Zoncolan heet de zwaarste beklimming van Europa te zijn. Hier finisht zaterdag de veertiende etappe van de Giro d’Italia. NRC-redacteur Dennis Meinema ging vrijdag zelf de uitdaging aan.

Foto's Dennis Meinema

Die namiddag reed ik er met de auto naar boven, voor een verkenningsronde, maar meer nog voor wat sferische bijzinnen in dit verhaal. Je kon niet weten in hoeverre de inspanning die zou volgen me het zicht op de realiteit zou ontnemen. Dat had ik beter niet kunnen doen.

Terwijl ik aantekeningen stond te maken bij een uit fietsonderdelen opgetrokken christuskruis dat in augustus 2015 waarschijnlijk feestelijk werd onthuld en werd opgedragen aan eenieder die hier in de sneeuwvrije maanden omhoog ploetert, kwam er een wielrenner in zwart voorbij die zijn trappers alleen nog schoksgewijs rond kreeg. Hij was pas een kilometer aan het klimmen maar zijn gezicht was al spierwit weggetrokken, en hij zwalkte van links naar rechts over het wegdek. „Ai ai ai”, bracht hij uit terwijl hij schuin omhoog keek en zich realiseerde dat er nog een lange weg te gaan was. De moeilijkheidsgraad van een beklimming kun je aflezen aan de lichaamstaal van een middelmatige wielrenner. Die sprak in dit geval boekdelen.

Toen ik een uur later met stinkende schrijfremmen terugkeerde van de top, was-ie nóg bezig. Ik hoorde mezelf een paar keer hard uitademen, alsof ik me stond op te laden voor een fysieke krachtmeting die ieder moment kon gaan beginnen. Ik was zenuwachtig. De Monte Zoncolan heet de zwaarste beklimming van Europa te zijn.

Johnny Hoogerland

In mijn hotel bestelde ik risotto en biefstuk. Om tien uur lag ik op bed. Voor ik insliep, herhaalde ik de tekst die Johnny Hoogerland me die middag appte, toen ik vroeg hoe hij de Zoncolan had ervaren toen hij er in 2011 en 2014 tegenop reed – hij liet zich tot twee keer toe door het publiek omhoog duwen, schreef hij ook. ‘Het is maar een berg’. En zo was het.

Een dag later schijnt de zon en zingen de zwaluwen als ik richting Tolmezzo rijd om bij de lokale fietsenwinkel mijn te kleine racefiets op te halen – van framemaat 58 rijden er in Italië niet gek veel rond, maar het geheel past eenvoudig in de huurauto. Van Emanuele, zoon van de eigenaar, leen ik een krap paar fietsschoenen en dan zet ik koers richting Ovaro, dorpje in Friuli, dertig kilometer verwijderd van de grens met Oostenrijk.

Daar, aan de voet, kruip ik in mijn wielerpak – in de achterzakjes sportgel, een shot geconcentreerde cafeïne en een banaan – en zonder warm te rijden maar met een pufje salbutamol achter de kiezen – ook ik heb sinds mijn jeugd astma en bovendien schijn je er legaal harder van te gaan fietsen – rijd ik het bordje voorbij waarop staat dat de Monte Zoncolan geopend is. Een paar weken geleden was dat anders, toen lag overal sneeuw.

Eerder kon Arthur van Dongen namens Team Sunweb de verkenning van het verduivelde slot van de veertiende Giro-etappe om die reden uit zijn hoofd zetten. Gelukkig hebben ze de beschikking over VeloViewer, vertelde hij eerder deze Giro. Kunnen ze vrijwel alle klimmen in Europa mee op een tablet toveren. Verkennen als vroeger is niet nodig, zei hij erbij.

Een-na-lichtste verzet

Even buiten Ovaro moet ik naar het op-een-na-lichtste verzet schakelen. Emanuele vertelde me dat hij achter een tandwiel met 32 tandjes had gemonteerd, anders zou ik bij de Osteria Allo Zoncolan, na een kilometer, al kunnen uitsturen. Met een ‘koffiemolentje’ naar boven vond ik geen schande. In het verleden klom ik alleen tegen de Mont Ventoux op, en dat kostte me zowat twee keer zoveel tijd als de Spanjaard Iban Mayo in 2015. Als ik die formule ook op de Zoncolan toepas – Gilberto Simoni raffelde de klim in 2007 af in 39 minuten – kom ik tot een uur en een kwartier. Dat wordt mijn streeftijd.

Bij het dorpje Liariss – verticaal heb ik er 100 meter op zitten – krijg ik de gladgeschoren kuiten van een renner op leeftijd in beeld. Mager, mooie fiets, en ik kan hem bijhouden. We rijden zij-aan-zij als de klim echt begint, op de Inizo Strada Zoncolan. Hij staand, ik zittend. De eerste haarspeldbocht kom ik prima door, ik rijd weg bij mijn lotgenoot, maar bij de beeltenis van Alfredo Binda, renner uit vervlogen tijden, moet ik concluderen dat mijn competitiedrang een loopje met me heeft genomen. Mijn hart giert in mijn keel en mijn benen staan in brand. Ik vervloek het ondershirt dat ik vanochtend dacht nodig te hebben. In de zon is het bloedheet. Dertig seconden lang sta ik over mijn stuur gevouwen. Die reportage gaat er nooit komen, denk ik. Voor de foto van de volgende grootheid, het kan Eddy Merckx geweest zijn maar ik heb hem niet herkend, ga ik weer in het rood. Het gevecht hervatten is geen sinecure: als ik mijn linkerbeen in het klikpedaal wil krijgen, ga ik zo langzaam dat ik alleen nog terug naar beneden kan sturen om te voorkomen dat ik omval.

En dan heb ik de smaak te pakken. De vier kilometer van gemiddeld 15,5 procent die volgen zijn verschrikkelijk, maar ze maken dat ik in een ritme kom. Ik ontdek de zigzag-techniek: in de bocht loopt het wegdek iets af. Als ik die kant op stuur is het minder steil en kan de druk van mijn benen. Op het steilste tussenstuk voel ik mijn voorwiel een paar keer van de grond loskomen.

Muisstil bos

In het bos is het muisstil. Ik haal mountainbikers in en na een haarspeldbocht of vijf kan ik eindelijk een slok water nemen. Eerder had ik beide handen nodig om aan mijn stuur te trekken. Een stroperig gelletje houd ik maar net binnen.

Op 1.400 meter hoogte vlakt de klim even af en ik voel me zo goed dat ik een paar tandjes bijschakel. Onbedoeld schakel ik met spanning op mijn ketting en dan begint het achter hevig te ratelen. Ik krijg de ketting met geen mogelijkheid meer naar uiterst links. Het tandwiel is krom. Er zit niets anders op dan de laatste kilometers te klimmen in de wetenschap dat ik veel lichter had kunnen trappen.

Een groep tifosi met grote witte campers kijken me verderop grijnzend aan. Ik gebaar dat ik water wil. Een jonge kerel met krullen vult mijn bidon tot aan de rand – op de huurfiets zat maar één bidonhouder, ook dat vervloek ik nu – en een kale man stopt een bol met varkensvlees in mijn achterzak. „For after”, zegt hij als ik mezelf weer in gang trek.

Ik stuif door drie aardedonkere stenen tunneltjes die ik op donderdagavond met toenemende verbazing voor het eerst zag. Net breed genoeg voor één auto, laat staan voor een groep wielrenners, al lijkt de kans klein dat er hier zaterdag nog een groep groter dan een man of twintig bij elkaar rijdt. IJskoud is het er, en er druppelt nog kouder water op mijn armen. Ik word er lichtelijk claustrofobisch, maar als ik de laatste tunnel uitrijd kan ik de top van de Monte Zoncolan zien. De resterende vier haarspeldbochten kom ik ook nog wel door. Ik finish in 1.08, leert Strava. Het was zwaar, maar ik vind de langere Ventoux zwaarder. Voor profs is het hier ‘maar’ driekwartier zuur happen.

Zaterdag zal het rond de top volstaan met mensen. Op videobeelden zag ik een bergachtig amfitheater waar geluid met de wind meekolkt. Renners zullen als helden worden onthaald. Simon Yates en Tom Dumoulin, de nummers één en twee in het klassement, reden de Zoncolan nog nooit op. De titelverdediger zag ‘m alleen op een appje. Dat lijkt me zeer verstandig.

    • Dennis Meinema