Wilders wraakt rechters met succes

Rechtspraak

Door zijn rechters te wraken boekt PVV-leider Wilders een overwinning. Het laat ook zien dat rechters bereid zijn elkaar met een harde tik terecht te wijzen.

Geert Wilders samen met zijn advocaten Carry Knoops en Geert-Jan Knoops voorafgaand aan de uitspraak over het wrakingsverzoek. De PVV-leider heeft het hof gewraakt omdat hij vooringenomenheid van de rechters vreest in de zaak om zijn minder-Marokkanen uitspraken. Foto Remko de Waal/ANP

De geslaagde wraking in het hoger beroep van de zaak-Wilders is een opvallend winstpunt voor de PVV-leider. Tegelijk is het ook een bewijs van de strenge onderlinge controle binnen de rechtspraak op de plicht om de belangen van de verdediging te beschermen. Zeker als het in een proces gebeurt met zo’n hoog publiek profiel als dat tegen de politicus Wilders, die de term ‘neprechters’ niet pleegt te schuwen. Een geslaagd wrakingsverzoek zegt echter niets over de uitkomst van het proces; zelfs niet over het verdere verloop, onder nieuwe rechters, die geheel vrij zijn om alles opnieuw te beoordelen.

In het eerste proces, in 2010, over zijn film Fitna, diende Wilders drie maal wrakingsverzoeken in, waarvan er ten slotte één werd toegewezen. Ook toen ging het om de weigering van een rechtbank, destijds Amsterdam, om op verzoek van de verdediging een getuige te horen. Die geslaagde wraking leidde destijds, net als nu, tot vervanging van alledrie de rechters, en daarmee tot het overdoen van het hele proces.

Vijf wrakingsverzoeken

In het tweede proces-Wilders, in 2016, over zijn ‘minder Marokkanen’-oproep, wraakte Wilders één rechter, die volgens hem in een tv-gesprek de schijn van vooringenomenheid over zijn zaak had gewekt. Dat verzoek werd afgewezen. Daarmee staat de teller op vijf wrakingsverzoeken van strafrechters door dezelfde verdachte, waarvan twee geslaagd – wat waarschijnlijk uniek is.

Wrakingen werden na 2010 populairder toen Wilders met zijn toenmalige advocaat Bram Moszkowicz op de destijds nog live uitgezonden zittingen demonstreerde hoe zoiets werkte. Het aantal wrakingsverzoeken steeg tot zo’n 713 in 2015 en daalde daarna tot 606 in 2017. Gemiddeld worden slechts 3 tot 4 procent van al die wrakingen toegewezen. Juridisch is zo’n verzoek een paardenmiddel, vergelijkbaar met de motie van wantrouwen in de politiek. Het bederft de sfeer, zet de verhoudingen op scherp en heeft doorgaans alleen symbolische waarde.

Inhoudelijk onderstreepte deze wrakingskamer dat een rechtbank in een strafzaak niet zomaar kan weigeren om tijd vrij te maken voor getuigen van de verdediging. De verdediging moet wettelijk binnen twee weken na het indienen van het appel opgeven welke getuigen het wil horen. Daarna kan dat niet meer. Behalve als het echt noodzakelijk is om daarop een uitzondering te maken. Dat zogeheten ‘noodzaakscriterium’ is in beginsel streng, maar is de laatste jaren door de Hoge Raad juist nogal opgerekt. Het kwam steeds vaker voor dat er na de fatale termijn van twee weken zich nog nieuwe feiten voordeden in een zaak. Waarvoor de verdediging dan niet kon worden ‘gestraft’ met een verbod om dat alsnog via getuigen aan de orde te kunnen stellen.

Dat was precies wat in deze zaak aan de hand was.

Advocaat Knoops wilde op de zitting met getuigen uitzoeken waarom Wilders wél, en D66-leider Pechtold níét werd vervolgd. Pechtold maakte in februari van dit jaar in het openbaar een potentieel even discriminerende opmerking over Russen als Wilders eerder over Marokkanen. Het OM legde de aangiftes om Pechtold te vervolgen in april echter naast zich neer. De wrakingskamer zegt nu „dat op voorhand niet kan worden uitgesloten” dat er „zekere parallellen” bestaan tussen beide zaken. Bovendien waren de verzoeken van Knoops goed onderbouwd – het was geen „fishing expedition”. Dan is het juridisch niet toereikend als je simpelweg verklaart dat de zaak-Pechtold ‘niet aan de orde’ is, en verder niet inhoudelijk ingaat op het verzoek van de verdediging.

Opvallend is hoe scherp het Haagse gerechtshof door de collega’s uit Amsterdam daarin terecht wordt gewezen. Hun beslissing is „dermate beperkt onderbouwd” en „wijkt zo af” van het verzoek, dan wel staat daar „in een te ver verband van”, dat het eigenlijk helemaal niet als onderbouwing kon dienen. Daarmee was het in „juridisch technische zin” onbegrijpelijk. „Redelijkerwijs” kan daarvoor geen andere verklaring worden gegeven „dan vooringenomenheid”. Zoiets is en blijft onder rechters de hardste tik die men elkaar kan uitdelen; het is de kern van het rechterschap.

    • Folkert Jensma