Column

Het gruis van de Parijsboulevard

Er zijn van die plekken in onze steden waar je als een blok voor zou vallen als je ze tegenkwam in New York of Berlijn. Dat ene café met die onverwachte tuin. Dat antiquariaat met dat koffiebarretje. Je gaat het pas zien door een vakantiebril, en misschien is dat waarom de straten van Leidsche Rijn Centrum, het nieuwe Utrechtse stadshart dat donderdag openging, allemaal grootstedelijke namen kregen.

Aan de Parijsboulevard staan de palmbomen nog tussen de graafmachines en worden de witte zebrastrepen net opgespoten. Aan de Wenenpromenade zijn veel etalageramen afgeplakt: ‘opening soon’. Van het Brusselplein wordt net het laatste hoekje bestraat, en in de Praagpromenade bedenk ik dat het verrassendste aan dit kunstmatige stadshart nog wel is dat ik het echt steengoed vind.

Ik had me ingesteld om me vrolijk te kunnen maken over al die kosmopolitische polderambities. Maar ook al loop je soms over betonplaten en ben je nooit meer dan honderd meter verwijderd van een grommend bouwwerktuig, je voelt de potentie. Onder sommige zuilengalerijen heb ik werkelijk een sensatie die me herinnert aan Kopenhagen of Madrid. Door verschillende bouwstijlen, tot aan de bestrating aan toe, lijkt dit vinex-centrum organisch te zijn ontstaan. Er is sfeer, stadrumoer, lawaai.

De Jumbo Food Markt doet werkelijk denken aan de Franse hypermarché, maar dan prettiger, met sushi- en pizzahoekjes, een vismarktje… „Het is nu de day after”, hoor ik de filiaalleider bij de wijnafdeling net een kringetje personeel toespreken. „En gisteravond kwam het stoom uit m’n schoenen, maar wat ben ik trots.” Dan klinkt er minutenlang een loeiend brandalarm. Alles oké, lacht het personeel het publiek toe na wat paniek. Kinderziektes, onwennigheid en iedereen zet glimlachend z’n beste beentje voor: vandaag is het hier overal een eerste schooldag.

In de parkachtige stilte in het Hof van Bern, waar twee mannen geconcentreerd een betonnen perkrand op zijn plek staan te takelen, begrijp ik het ineens. Mijn grootstedelijke associaties komen juist dóór dat gedril en getimmer, dóór die opengebroken straten, die cabinetoiletten en bouwhekken. Juist dóór het gruis.

Als straks de bouwvakkers vertrokken zijn, is er het gevaar dat ze een kraakfrisse maquette achterlaten. Wat dat betreft mag je juist hopen op iets van die leegstand, waar steeds voor gevreesd is, en waardoor het nu kleiner uitvalt dan beoogd.

Vul de gaten met kunstenaarsateliers en anti-krakers en dan is dit binnen een paar jaar een echte, levende stadskern. Ik zou er mijn gasten uit New York of Berlijn trots mee naartoe nemen.

Christiaan Weijts schrijft op deze plek iedere vrijdag een column.