Opinie

    • Michel Krielaars

Het Franse dorp herdenkt de oorlog

Op 8 mei belandde ik in Frankrijk midden in de viering van Jour de la Liberté. In het dorp Renaison, onder de rook van Roanne, voerde de fanfare die dag een optocht aan van de burgemeester, vier politieagenten, wat gehelmde puber-technici van de elektriciteitsmaatschappij en zo’n vijftig burgers. De stoet hield halt bij het oorlogsmonument, waar mannen met vaandels stonden. De burgemeester las een toespraak voor, die alleen over de Tweede Wereldoorlog ging: de bezetting, de collaboratie van het Vichy-regime, de deportatie van de Joden. Ook werden de geallieerden, inclusief de Sovjet-Unie, bedankt. Onder tromgeroffel gingen de vaandels omlaag. Daarna klonk de Marseillaise.

Soms denk je dat in Frankrijk Loe de Jong zich steeds weer in een nieuw pak presenteert, omdat de Tweede Wereldoorlog er voortdurend op een andere manier lijkt te worden behandeld. Het zal deels komen door de schaamte over de collaboratie of door de mythes over het verzet, waarover regelmatig nieuwe feiten boven water komen.

Ook Franse schrijvers zijn sinds kort in de ban van die oorlog. Neem HhhH (2010) van Laurent Binet, over de moordaanslag op SS-leider Heydrich in Praag, of het met de Prix Goncourt bekroonde L’ordre du jour (2017)van Eric Vuillard, dat beschrijft hoe Hitler in de jaren dertig zijn gang kon gaan dankzij het Duitse bedrijfsleven. En nu is er sinds kort Olivier Guez met zijn La Disparition de Josef Mengele (De verdwijning van Josef Mengele), over het naoorlogse leven van de beruchte kamparts. Tot in de details beschrijven die romans wat er gebeurd is, de historische hiaten over het privéleven van de hoofdpersonen opvullend met wat voorspelbare fantasie.

Van het navertellen van de geschiedenis was geen sprake in de roman die ik afgelopen week las: Le Roi des Aulnes (De Elzenkoning) van Michel Tournier. Op wat historische feiten na, stoelt niets in dit meesterwerk uit 1970 op de werkelijkheid. Alles is ontsproten aan de fantasie van de schrijver, die de oorlog als een mythische gebeurtenis neerzet.

Hoofdpersoon is de boomlange garagehouder Abel Tiffauges, die al in het begin zijn obsessie voor kinderen bekent, wat te herleiden valt op zijn kostschooljaren. Als hij van aanranding van een minderjarig meisje wordt beschuldigd, dreigt hij in de gevangenis te belanden. Maar het lot beslist anders: de oorlog breekt uit, hij moet in dienst, valt in Duitse handen en belandt in een krijgsgevangenkamp in Oost-Pruisen. Lang zit hij daar niet, want zijn andere obsessie, die voor rendieren, bezorgt hem een baantje op het landgoed van Göring.

Op het nabijgelegen slot Kaltenborn, waar ‘arische’ kinderen door de nazi’s worden klaargestoomd om na de overwinning de nieuwe elite te vormen, ontdekt Tiffauges zijn ware roeping: het vangen van kinderen voor die school. Hij doet dat niet uit nationaal-socialistische overtuiging, maar uit liefde. En alleen al door zo iets is hij een fascinerend romanpersonage, waar Heydrich, Hitler en Mengele niet tegenop kunnen. Zo sleept Tournier je mee in een mythische wereld en maakt hij het onvoorstelbare tot absolute waarheid.

PS Vorige week schreef ik dat De Gaulle in mei ’68 zei dat ‘het moment van de herschepping’ voorbij was. Daar had moeten staan ‘het speelkwartier’.

    • Michel Krielaars