Een beetje anarchisme kan geen kwaad

Grunberg in het Stedelijk #15

De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

De schrijver die in het museum gaat wonen en werken wordt klachtenbureau, galeriehouder en speelkameraad, overigens niet tegen zijn zin.

Op een middag komt Birgit Donker – voormalig hoofdredacteur van deze krant, inmiddels directeur van het Mondriaan Fonds – langs om te praten over het convenant voor kunstenaarsvergoedingen dat het Stedelijk nog altijd niet had ondertekend. Dat convenant komt erop neer dat kunstenaars die in het museum hangen recht hebben op vergoeding. Ik beloofde het te agenderen, en spreek directeur a.i. Jan Willem erop aan. Hij antwoordt dat Birgit zich nergens druk om hoeft te maken. Ik krijg de indruk dat hij niet heel gelukkig is met mijn functie als klachtenbureau, maar je bent wat mensen van je maken, vooral in het museum.

Een bevriende kunstenares vraagt of ze een kunstwerk mag ophangen. Nu is het niet de bedoeling dat mensen zelf iets ophangen, maar een beetje anarchisme kan geen kwaad. De muurschildering van Appel achter bestaat ook uit een blauwe deur die nergens meer heengaat, waarachter hardboard zit. Als de suppoosten even niet kijken hangt de kunstenares haar schilderij achter de deur. Soms open ik de deur een paar seconden.

Een keurig geklede heer die kunst voor De Nederlandsche Bank inkoopt verklaart dat hij het kunstwerk voor een kleine tweeduizend euro wil kopen.

„U kunt het meenemen,” zeg ik, „als de kunstenares haar geld heeft.”

Kunstenaars, wie dat ook moge zijn, kunnen hun kunst bij me achterlaten, mits het geen liflafjes zijn. Ik vraag tien procent commissie en ik kan niet garanderen dat ook u door De Nederlandsche Bank wordt aangeschaft.

In het depot van het Stedelijk aan de Gyroscoopweg in de buurt van Station Sloterdijk word ik rondgeleid door de baas van het depot, Rolf.

Hij heeft 28 jaar in Amerika gewoond, draagt een groen poloshirt en kruidt zijn zinnen met vrolijk cynisme. Om de haverklap zegt hij: „Dit mag je niet opschrijven.”

Slechts 2,5 procent van de collectie is te zien, de rest bevindt zich in het depot. Hier begrijp ik wat het museum werkelijk is: een gevangenis voor kunstwerken. Soms worden de werken gelucht, dan hangen ze in musea.

We zien Dumas, Warhol, Lucebert, Armando, Kiefer. Allemaal gevangenen, van het daglicht beroofd.

Er zullen steeds meer depots moeten worden bijgebouwd, maar Rolf laat er geen misverstand over bestaan wat de langetermijnoplossing is voor het overschot aan kunst, al spreekt hij die woorden niet uit: vernietiging, de doodstraf.

(Wordt vervolgd)