In de literatuur is de vrouw nog steeds een cliché

Vrouwenliteratuur

Nog steeds worden romans van vrouwen lager gewaardeerd dan die van mannen. Waarom is dat beeld zo hardnekkig en wie is de schuldige daaraan? Literatuurwetenschapper Corina Koolen promoveert deze vrijdag op dat onderwerp.

Illustratie Istock/ bewerking NRC

Waarom hebben we het wel over chicklit en keukenmeidenromans, maar niet over buddybooks, uitsloversproza of Napoleonsyndroom-boeken? Er zijn best boeken waarop zo’n mannenetiket zou passen, maar niemand komt op het idee om boeken van mannelijke auteurs over mannelijke protagonisten een genreaanduiding te geven – terwijl dat voor ‘vrouwenboeken’ wel gebeurt.

En dat betekent niet dat er een fijnmazige literaire indeling is voor boeken van vrouwelijke auteurs. Nee, die hokjes laten vooral zien dat het voor vrouwen moeilijker is om als literair auteur te gelden dan voor mannen. Corina Koolen, literatuurwetenschapper bij het Huygens Instituut voor Nederlandse geschiedenis, onderzocht de lezersperceptie van vierhonderd romans voor haar proefschrift Reading Beyond the Female dat ze deze vrijdag aan de Universiteit van Amsterdam verdedigt. Zij concludeert dat we nog steeds vast zitten aan de conventie dat romans van mannen hoger gewaardeerd worden dan die van vrouwen. En ze wijst ook de schuldigen aan: de lezers, de uitgevers, de critici en de jury’s van literaire prijzen. Kortom, iedereen die iets met het boek te maken heeft.

Goed en slecht

‘Dan moeten ze maar betere boeken schrijven’, is een veel gehoorde reactie wanneer er weer eens een shortlist verschijnt met vrijwel uitsluitend mannennamen. Koolen gaat niet argumenteren maar heeft een wetenschappelijke manier gevonden om aan te tonen dat die reactie ongefundeerd is.

Niet dat ze bewijst dat de boeken van vrouwen even goed zijn als die van mannen. Dat is nu eenmaal niet te doen, aangezien er geen absolute maatstaf is voor goede of slechte teksten. Wel laat ze zien dat romanteksten niet goed aan de sekse van de auteur te koppelen zijn: vrouwen hebben geen wezenlijk andere stijl dan mannen en ze schrijven niet vaker over ‘vrouwelijke’ onderwerpen zoals uiterlijkheden of het gezinsleven. Blijft over als verklaring voor de lagere waardering: vooroordelen. We lezen door een genderbril, stelt Koolen.

Koolen gebruikt hiervoor het Nationale Lezersonderzoek, in 2013 uitgevoerd door het Huygens Instituut. Daarin geven lezers – evenveel mannen als vrouwen – waarderingscijfers aan de 401 romans die tussen 2007 en 2012 het meest zijn verkocht of bij bibliotheken geleend. Daaruit blijkt dat de hoogste waardering uitgaat naar romans die door mannen zijn geschreven. En ook dat boeken uit het subgenre chicklit – zoals die van Sophie Kinsella of Santa Montefiore die volgens een vast recept romantische bestsellers produceren – extreem laag worden gewaardeerd. Begrijpelijk natuurlijk, wanneer je deze boeken naar literaire maatstaven beoordeelt.

Maar interessant is dat de Baantjer-boeken hoger gewaardeerd worden dan chicklit. Terwijl ook dit boeken met een vaste receptuur zijn, die nauwelijks een schrijver nodig hebben. Met enkele plotvoorwaarden en afwisselende locaties kan een beetje broodschrijver zo’n roman in elkaar zetten. Het moment dat zo’n schrijver kan worden vervangen door een computer zal vast niet ver weg zijn.

Vrouwen hebben geen wezenlijk andere stijl dan mannen en ze schrijven niet vaker over ‘vrouwelijke’ onderwerpen zoals uiterlijkheden of het gezinsleven

De lezers gaven niet alleen cijfers, maar mochten hun oordeel ook beargumenteren. Dat leidt tot een verrassend resultaat: romans van mannen worden op andere gronden beoordeeld dan die van vrouwen. Bij werken van mannelijke auteurs gaan lezers af op kenmerken als structuur en stijl. Bij vrouwen daarentegen becommentariëren de lezers de emotionele aspecten, de herkenbaarheid of de plot.

Wanneer onduidelijk is of de auteur man of vrouw is, zijn de verschillen minder groot. Maar als het vermoeden bestaat dat de roman van een vrouw is (bijvoorbeeld omdat het hoofdpersonage een vrouw is), valt de waardering onmiddellijk negatiever uit.

Dit doet denken aan de bevindingen van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Ainehi Edoro in 2016: zij stelde vast dat romans uit Afrika worden beoordeeld op basis van plot en reële context, en westerse romans op basis van stijl en structuur. In The Guardian schreef ze: ‘Zelfs toen Afrikaanse fictie werd opgepikt in de literaire wereld, kwam die nooit helemaal los van haar antropologische aantrekkingskracht. Uitgevers en critici raakten gewend aan het idee dat fictie uit Afrika waarheden over Afrika zou bevatten.’

Emotioneel

In boeken van vrouwen ontwaren lezers niet een antropologische waarde, maar een emotionele. En als het dan ook nog een beetje herkenbaar is, is het helemaal mooi. Lezers waarderen dat dus, maar niet om de literaire waarde, blijkt uit het lezersonderzoek. De top-10 van de meeste gewaardeerde romans bestaat volledig uit werken van mannelijke auteurs (Barnes, Mortier (2x), Houellebecq, Lanoye, Murakami, Van der Heijden, Enter, Bernlef, Eco). Vrouwen zijn zelfs strenger voor vrouwelijke schrijvers dan mannen, waarbij opgemerkt moet worden dat mannen zelden romans van vrouwen lezen.

De lezer is dus nog steeds aan literaire conventies gebonden, maar hij of zij is niet de enige. Ook de uitgeverijen, literaire jury’s en boekenkaternen van kranten hebben er last van. Uitgevers zijn bijvoorbeeld eerder geneigd om romans van vrouwen het label van een lager genre te geven dan dat van literaire roman. Je kan je nog wel afvragen of dit het werkelijke oordeel van de uitgever is, of dat ze het label erop plakken omwille van de verkoopcijfers.

Ook beoordelaars – jury’s, recensenten en boekenredacties – zijn verantwoordelijk. Een goed voorbeeld is Bernard Dewulf, die in 2010 de Libris Literatuurprijs won met Kleine dagen. De jury schreef indertijd: ‘Je moet het maar durven. Schrijven over het aller, allergewoonste, dat tegelijkertijd het meest dierbare is: je eigen kinderen. Maar zo gewoon is het niet als je er met je neus bovenop zit. Het is wonderlijk en fascinerend, als je rust neemt om het groeiproces van kinderen scherp en met liefde te observeren. Dat deed Bernard Dewulf met zijn jonge kinderen, een meisje en een jongen. Hij keek, overwoog en legde vast: „hun kleine schommelingen, de schokjes in hun ontwikkeling; ze wikkelen zich af onder mijn ogen”. De bundel miniaturen met de simpele titel Kleine dagen is er het resultaat van.’

De lezer is dus nog steeds aan literaire conventies gebonden, maar hij of zij is niet de enige

De verbazing (‘je moet maar durven’) over de onderwerpkeuze was er nooit geweest indien de auteur een vrouw was, merkt Koolen terecht op. Wanneer een vrouw had geschreven over de ontwikkeling van haar kinderen, dan waren de literaire maatstaven minder snel van stal gehaald. De vertedering zou als persoonlijk, emotioneel en daarom minder literair zijn geïnterpreteerd.

Ondertussen worden – zoals de anonieme blogger Lezeres des Vaderlands geregeld heeft geconstateerd – de boekenredacties van kranten voornamelijk bevolkt door witte mannen die mannelijke recensenten aansturen. Een cynicus kan hierover zeggen dat dat ergens ook maar beter is voor vrouwelijke auteurs, gezien Koolens bevinding dat vrouwen strenger zijn voor vrouwen.

Vingerafdruk

Het onderzoek maakt deel uit van het grotere project The Riddle of Literary Quality van het Huygens Instituut in Amsterdam, waarin literatuurwetenschappers proberen vast te stellen wat een tekst literair maakt. Computeranalyses maken hier een belangrijk deel van uit.

Algoritmes bieden de literatuurwetenschap een schat aan mogelijkheden. Elke auteur heeft een bepaald woordgebruik, een soort geschreven vingerafdruk. Aan de hand daarvan is bijvoorbeeld ontdekt dat J.K. Rowling schuilgaat achter het pseudoniem Robert Galbraith, en ook wie de werkelijke auteur is van de boeken van Elena Ferrante.

Algemenere nieuwe inzichten die met behulp van algoritmes zijn gevonden komen van de universiteiten van Vermont en Adelaide. Zij stopten tweeduizend Engelstalige teksten in een computer en ontdekten zo dat vrijwel alle verhalen tot een van zes soorten ‘standaardplots’ gerekend kunnen worden. De zes verhaalstructuren zijn: van arm naar rijk (er bovenop klimmen), van rijk naar arm (neergang), Man in a Hole (Kurt Vonneguts omschrijving van wederopstanding), Icarus (stijgen en dan juist ten val komen), Assepoester (stijgen, vallen en stijgen) en Oedipus (vallen, stijgen, vallen).

Koolen probeert met algoritmes de vooroordelen ten opzichte van vrouwelijke auteurs bloot te leggen. Preciezer: ze wil ermee vaststellen hoe sterk romanteksten aan het geslacht van de auteur gekoppeld kunnen worden. De machine- learning lukt maar ten dele. Zo kan de computer bij boeken die zijn genomineerd voor een literaire prijs goed vaststellen welke titels zijn geschreven door een man, maar bij de helft van de vrouwen gaat het mis.

Verder traint Koolen een programma om passages in teksten te vinden die gaan over uiterlijkheden, een onderwerp dat wordt toegeschreven aan vrouwen. Het doel is om uit te vinden of vrouwen hier inderdaad meer over schrijven dan mannen. Ook dit algoritme wordt niet exact genoeg. Maar door handmatig onderzoek vindt Koolen uit dat in literaire romans meer aandacht wordt besteed aan het uiterlijk dan in chicklit, een genre dat uitsluitend het domein is van vrouwelijke auteurs. Mannelijke literaire auteurs blijken bovendien de meeste zinnen aan beschrijvingen van uiterlijkheden te besteden.

In beide genres vindt Koolen volop clichés over mannelijke en vrouwelijke uiterlijkheden. In chicklit ontwaart ze het type ‘zorgzame Adonis’, een lieve knapperd, vrijwel zonder uitzondering met blauwe ogen. Vrouwelijke personages in literaire romans zijn vaak ‘destructieve nimfen’, ofwel de belles dames sans merci van weleer. Frêle, kwetsbaar ogende vrouwen met kinderlijke trekken en maar al te vaak een porseleinachtige huid, die de man eerst verleiden en hem daarna genadeloos beschadigen.

Lees ook: Man, sta je privileges af

Deze clichés hebben meer te maken met het beoefende genre dan met de sekse van de auteur, concludeert Koolen. Vrouwen volgen net als mannen de kenmerken van het genre waarin ze schrijven. Het is een van de manieren waarop ze laat zien dat kenmerken die een tekst typisch vrouwelijk zouden maken, niet bestaan.

De laatste jaren is in de literaire wereld de indruk ontstaan dat vrouwen aan een opmars bezig zijn en langzaam maar zeker de macht grijpen. Koolen laat met cijfers in de hand zien dat dit niet zo is. Het feit dat we vandaag de dag nog steeds vanuit dezelfde conventies lezen als pakweg dertig jaar geleden, en dat romans van vrouwen nog steeds lager gewaardeerd worden, is een onontkoombare en somber stemmende conclusie.

Te meer omdat de situatie zichzelf in stand houdt. Iedereen in de keten van auteur tot lezer doet eraan mee, en iedereen kan de verantwoordelijkheid bij een ander leggen. De lezer kan zeggen dat critici en jury’s hem beïnvloeden, uitgevers kunnen zeggen dat het koopgedrag van lezers de oorzaak is, jury’s kunnen volhouden dat er minder romans door vrouwen werden ingestuurd (omdat die boeken onder een ander genre waren uitgegeven en dus op de stapel ‘komt niet in aanmerking’ terechtkwamen). Omgekeerd is het goede nieuws dat iedereen dus iets kan doen om de situatie te veranderen. De eenvoudigste stap: mannen zouden eens een boek van een vrouw kunnen lezen. Echt, dat doet geen pijn.

Corina Koolen: Reading Beyond the Female. The relationship between perception of author gender and literary quality. ILLC, 322 blz. Meer informatie bij de UvA
    • Hanneke Chin-A-Fo
    • Toef Jaeger