Column

De ruzies van Tom Wolfe

Het schrijverschap van de deze week overleden Tom Wolfe had een polemische dimensie die er niet om loog. Hij werd rijk en beroemd met zijn romans, maar dat weerhield hem er niet van krachtig in de aanval te gaan met minder lucratieve boeken.

Zo schreef hij boze boeken over moderne schilderkunst (The Painted Word) en moderne architectuur (From Bauhaus to Our House), waarin hij vooral het snobisme in de kunstwereld hekelde. Hij doet daarin denken aan Gerrit Komrij die enkele jaren later – in 1983 - met dezelfde vlijmscherpe mengeling van ernst en spot over architectuur (Het boze oog) schreef.

Dit is Wolfe: „Alle grote advocatenfirma’s in New York laten zich zonder een kik wegstoppen in een glazen kist met betonnen prefabvloeren, gipsplaatwandjes en pygmeeëngangetjes – en huren vervolgens een binnenhuisarchitect die voor een ton of acht de hele onooglijke blokkendoos omtovert in een afgeplat visioen van een zeventiende-eeuws Engels herenhuis.”

En dit is Komrij: „De onrijpe vruchten en de koekenbakkers, het schuim en de schuinsmarcheerders vormen de nieuwe kaste der architecten. ‘Eigentijds’ is hun leus: het staat op hun voorhoofd geschreven en loeit door hun schaars verlichte hersenkamers. Eigentijds, eigentijds, echoot het daarboven luid. (…) Het zijn juist de architecten die geen idee hebben van hun tijd.”

Ook was Wolfe, net als Komrij, niet afkerig van een stevige aanvaring met beroemde collega-schrijvers. Hij kreeg vooral ruzie met Norman Mailer, John Updike en John Irving. Het bleef niet bij plagen, maar ontaardde in een ruzie waarbij de waarde van zijn schrijverschap in het geding was.

Anthony Arthur schreef erover in zijn boek Literary Feuds, waarin hij ook andere literaire ruzies (Hemingway – Stein; Wilson – Nabokov) samenvatte.

Wolfe beschreef al in 1964 spottend hoe onhandig en slecht gekleed Updike zijn eerste National Book Award in ontvangst nam. Een jaar later schreef hij dat Updike’s verhalen vol, zoals Lenin het noemde, ‘bourgeois sentimentaliteit’ zaten.

Updike wachtte tot 1998 met zijn wraak en schreef toen een vernietigende recensie over Wolfe’s nieuwe roman A Man in Full. Hij begint ogenschijnlijk welwillend, maar concludeert: „Het is arrogant, maar A Man in Full hoort nog steeds bij amusement, niet bij literatuur, zelfs niet literatuur van een bescheiden prille soort.” Hij vond de stijl te druk en de personages te vlak.

Dat kwam hard aan bij Wolfe. Toen ook Mailer en Irving zich met gelijksoortige bezwaren tegen zijn schrijverschap keerden, sloeg hij wild van zich af. Hij noemde hen oud, moe en jaloers; híj verdiende miljoenen met zijn romans, hún nieuwste boeken werden geen bestsellers. Ze waren ook bang voor hem, meende Wolfe, omdat hij een nieuwe weg voor fictie had gewezen, meer geworteld in de sociale werkelijkheid van het hedendaagse Amerika.

Achteraf is mijn indruk dat ze zich alle vier aan overdrijving schuldig maakten. Wolfe was niet zo goed als hijzelf dacht, maar ook niet zo slecht als de anderen deden voorkomen. Ik heb destijds zijn The Bonfire of the Vanities geboeid gelezen, maar het was te wijdlopig en de personages inderdaad nogal karikaturaal – reden waarom ik daarna nooit meer een roman van Wolfe heb gelezen.