Column

Dat irritante bellen in het openbaar kan grote voordelen hebben

Naar aanleiding van mijn laatste stukje kwamen meer reacties binnen dan gebruikelijk. Misschien was het de herkenbaarheid van het merkwaardige beeld: loop je hardop te praten tegen een onzichtbare, ben je gestoord, doe je hetzelfde maar met een oortje in, ben je normaal want je telefoneert. Een lezer meldde dat hij „altijd onrustgevoelens” krijgt als hij mensen „in zichzelf” hoort praten „met een oortje”. Wat een veelzeggende verspreking is: mensen met een oortje praten natuurlijk niet in zichzelf, ze bellen, ze praten tegen een onzichtbare. Je zou kunnen zeggen: net als de gekken die je roepend tegen de spoken in hun hoofd soms schrik aanjagen.

Iets ongemakkelijks heeft het sowieso, dat luide praten ‘in jezelf’. Vooral millennials maken er een gewoonte van zich een weg door de openbare ruimte te kwebbelen tegen mensen die je niet ziet. Ik verdenk hen wel eens van opzet; dat ze het expres doen, dat eindeloze bellen met publiek erbij, als betrof het een audioversie van Facebook.

Een facebookisering van de openbare ruimte, het zou kunnen. Zo van, kijk toch eens hoe populair ik ben. Ik heb contact met zóveel leuke mensen dat het écht niet even kan wachten. Ik moet mijn dynamische interessante, echt superbelangrijke vrienden nú bedienen, anders gebeuren er ongelukken. Helaas kan ik even geen rekening houden met omstanders op fietspad, stoep en terras, kan ik niet zomaar om me heen gaan zitten kijken, nee sorry, ik moet dit waanzinnig onderhoudende gesprek houden waar iedereen bij is, mijn sprankelende leven eist dat van mij, echt fakking spannend allemaal. En best grappig dat iedereen daardoor merkt hoe supergaaf mijn leven is.

Wie weet gaat het zo. Bellen in de publieke sfeer om de schone schijn op te houden. Behoorlijk irritant en eigenlijk abnormaal. En toch kan deze facebookisering voordelen met zich meebrengen. Twee lezers meenden al gestoorden bij hen in de buurt te hebben betrapt op simulatie: ze deden alsof ze belden. En of dat nu opzettelijk was bedoeld om normaal te worden gevonden of niet, het beeld opent geweldige perspectieven voor de integratie van de dwaas. „Misschien moeten we oortjes uitdelen aan zwervers en gekken”, aldus een lezer. Want inderdaad, met oortjes in vervaagt het verschil tussen normaal en geestesziek onmiddellijk.

Iedereen gek, waarom niet? We laten de seventies, de tijd van de antipsychiatrie herleven. We keren terug naar Wie is van hout en One flew over the cuckoo’s nest. We zeggen met een verwijzing naar de facebookisering: geef zo’n schizofreen een oortje en zijn geroep tegen de stemmen in zijn hoofd onderscheidt zich nog maar nauwelijks van het opgewonden gekakel tegen de stemmen van iPhone en Samsung. De antipsychiater Jan Foudraine zou tevreden zijn. Laat iedereen maar lekker tekeergaan tegen zijn onzichtbare vrienden en vijanden, veel verschil maakt het niet. De stad is zonnig en druk, die ‘bellende’ gekkies kunnen er ook nog wel bij.

Auke Kok is schrijver en journalist.