‘Nu kan ik leven. Vroeger was het overleven’

Spitsuur Josje Nieuwenhuys (80) reist evenementen af om haar stoommachine te tonen. Die kocht ze als eerbetoon aan haar vader, die overleed tijdens de oorlog. „Ja, ik ben nog erg met mijn vader bezig… hij is mijn held.”

Josje: „Omdat ik vroeger in het kamp geen speelgoed had, ben ik als volwassene gaan verzamelen. Mijn huis stond propvol. De thuiszorg is mijn redding geweest. Toen die mijn huis zagen, vonden ze dat er echt iets moest gebeuren. Nu ruim ik elke week twee dingen op.”

Josje: „Hoewel ik niet uit Sint Jansklooster kom, ben ik goed geïntegreerd hier. Ik krijg elke dag wel bezoek van iemand: de één brengt de krant, een ander brengt zijn kind met de vraag of ik even wil oppassen, de werkster komt of ik breng iemand met de auto ergens naar toe. Ik geef ook regelmatig lezingen over de oorlog en ik schrijf voor het blad Kondschap van het museum in Vollenhove, ook hier in de Kop van Overijssel.

„Ik ben in 1937 geboren op Sumatra, Indonesië. Toen ik vier jaar was, moest mijn vader, die tabaksplanter was, in dienst van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Hij werd gevangengenomen door de Jappen en te werk gesteld aan de Birma-spoorweg. Daar is hij in 1943 gestorven. Ik ben er in 2015 naar toe geweest met de Oorlogsgravenstichting.

„Met mijn moeder, twee broers en zusje heb ik drieëneenhalf jaar in een Jappenkamp gezeten. Eind 1946 zijn we naar Nederland gekomen.

„In 1968 ben ik gescheiden van mijn eerste man. Mijn nieuwe partner was dol op stoommachines. Ik vond dat ook leuk en heb in 1985 zelf een stoommachine gekocht. Het is een zogeheten locomobiel uit Engeland, die zestig jaar een tandradzaagbank heeft aangedreven. Ik vond ’m in een schuur op een boerenerf op het eiland Wight. Ik heb de stoommachine gekocht als eerbetoon aan mijn vader, die erg technisch was. Ik weet zeker dat hij ’m had gekocht als hij de kans had gekregen. Ja, ik ben nog erg met mijn vader bezig… hij is mijn held.”

Koffiedikkijkster

Josje: „Als ik nu jong was geweest, had ik wel techniek willen studeren, maar dat deed je toen niet als meisje. Mijn stoommachine is inmiddels ondergebracht in een stichting en staat nu in Friesland. Ik ga er nog steeds mee naar evenementen voor industrieel erfgoed, ook in het buitenland. Wat ik het mooie vind aan die machine: alles is logisch. Het is net een kind: je moet ’m op tijd voeren en in de juiste hoeveelheid, dan gaat het goed.

„Het stoomseizoen, van mei tot en met augustus, is voor mij de drukste tijd van het jaar. Dan reis ik per auto naar evenementen, met mijn woonwagen uit 1923 aan de trekhaak. Ik treed op die festivals op als koffiedikkijkster Sarah Lie. Ik heb geen helderziende gaven, het is niet meer dan inlevingsvermogen en observeren wat ik doe, maar soms zitten er wel tien mensen te wachten bij mijn woonwagen. Ik doe het gratis, want ik heb alles al.

„Omdat ik vroeger in het kamp geen speelgoed had, ben ik als volwassene gaan verzamelen. Mijn huis stond propvol. Ik had ruimte genoeg: in 1993 liep de relatie met mijn tweede partner stuk. Iedereen die wat kwijt wilde, bracht het bij mij en ik kon geen ‘nee’ zeggen. Ik wilde kennelijk aardig gevonden worden. Mijn redding is geweest dat ik in 2003 bij het schaatsen mijn pols brak en thuiszorg nodig had. Toen die mijn huis zagen, vonden ze dat er echt iets moest gebeuren.

„Sindsdien ruim ik elke week twee dingen op. Ik heb bijvoorbeeld nog vierhonderd dvd’s over stoom en over Indië. Ik had ook zevenhonderd blikken met films. Over landbouwdieren, stoomtreinen en nog veel meer. Die zijn naar een museum gegaan. Er blijven nog steeds wel spullen bij komen, hoor, ik blijf een kind.”

Schaatsrollator

Josje: „Ik fiets nog 4.000 kilometer per jaar. Toen ik jonger was, heb ik tweemaal de wereld rondgefietst. Ik heb ook de Mont Ventoux beklommen en Luik-Bastenaken-Luik gefietst. Mijn buurjongen heeft nu een schaatsrollator voor me gemaakt, zodat ik niet meer zal vallen op het ijs. Afgelopen winter heb ik er drie keer mee geschaatst.

„Ik heb pas op mijn 43ste leren schaatsen, maar ik heb toch twee keer de Elfstedentocht uitgereden. Ik ben goed in duursporten, doordat we in Indië lange tochten moesten maken van kamp naar kamp. Dan had ik mijn broertje op mijn rug. Als ik langlauf, denk ik altijd aan die tochten in Indië.

„Ik ben een paar jaar onder behandeling geweest bij het Centrum ’45, daar hebben ze me geleerd te leven. Daarvoor was ik alleen maar aan het overleven. Nu ben ik mijn nachtmerries kwijt. Tot 1985 werkte ik als manager in een huisartsenpraktijk, maar toen ben ik afgekeurd wegens mijn Indië-verleden. Ik ben twee keer terug geweest naar Sumatra, één keer op de racefiets, de tweede keer met een van mijn dochters en drie kleinkinderen. Die zijn daardoor gaan begrijpen waarom hun oma is zoals ze is.”

De wind van gisteren

Josje: „Ik heb geen pensioen. Met mijn beide partners heb ik financieel niets geregeld na de breuk. Ik krijg dus AOW en ik heb een uitkering als oorlogsslachtoffer. Ik kan ervan rondkomen, ik heb niet veel nodig.

„Het meeste geld geef ik uit aan mijn auto, die stevig is omdat-ie de woonwagen moet kunnen trekken. Aan eten en drinken geef ik maximaal 3 euro per dag uit. Kleding koop ik alleen in de tweedehandswinkel. Het liefst loop ik in een overall.

„Ik voel me een gezegend mens. Dat lastige begin in Indië moet ik accepteren. Ik las eens op de gevel van een huis: ‘Op de wind van gisteren kan niet gezeild worden’. Dat is mijn levensmotto geworden.”