Recensie

Nooit zal ze erbij horen, maar Jane geeft niet op

Brad Watson We lezen het hele leven, van begin tot eind, van de intelligente Jane uit het Zuiden van de VS. Opsommerigheid vermijdt Watson, die liefdevol en met oog voor detail schrijft en hoofdstukken als zelfstandige eenheden beschouwt.

Juffrouw Jane is een van die romans waarin een leven van begin tot eind wordt beschreven. In dit geval is dat het leven van Jane Chisolm, die in het begin van de vorige eeuw in het Zuiden van de Verenigde Staten wordt geboren op een boerderij, en nooit zal trouwen – vandaar juffrouw Jane.

Het gevaar met dergelijke romans is dat ze een opsommend karakter krijgen. Brad Watson (Mississippi, 1955) weet hoe hij dat gevaar te lijf moet gaan: hij begint zijn roman gewoon met een opsomming, met een lange beschrijving van de zaken waar Jane als meisje niet bang voor is: van slangen en coyotes tot windhozen en paarden. Meteen hebben we een goed beeld van de omgeving waarin Jane opgroeit en daarom is het Watson uiteraard te doen.

De intelligente Jane groeit op tussen een zwijgzame vader, een verbitterde moeder en een oudere zus die haar eigen gang gaat. Tot zover klinkt het niet uitzonderlijk, maar er is nog iets aan de hand: Jane is geboren met een afwijking die haar incontinent maakt, en voor isolement en schaamte zorgt. Ze weet dat ze nooit zal trouwen, nooit kinderen zal krijgen. Toch geeft ze niet op, ze wil naar school, ze gaat naar dansavonden. Maar al die pogingen zijn expedities naar een wereld waarvan ze nooit helemaal deel zal uitmaken.

Watson beschrijft Jane niet als patiënt. Hij laat de lezer weten wat er mis is, maar de exacte naam van de afwijking valt pas op pagina 225 (waarna de lezer naar smartphone of laptop grijpt om Google te raadplegen). Janes aandoening zorgt ook voor veel contact met de belangrijkste bijfiguur: dokter Thompson, de plaatselijke huisarts. Hij is mild, wijs, een beetje ijdel, een beetje drankzuchtig, een beetje excentriek – en hij ontwikkelt een sterke band met Jane. Hij schrijft brieven over haar aan specialisten, oud-studiegenoten, hij hoopt op genezing; hij is voortdurend op de achtergrond aanwezig, als een verre van almachtige beschermengel.

Juffrouw Jane deed me denken aan Stoner van John Williams, waarin ook een heel leven de revue passeert. Stoner is harder, flonkerender dan Wat- sons roman, wat ook met de personages te maken heeft. Jane heeft geen carrière, ze zal sterven waar ze is geboren, heeft minder contact met de wereld. In een van zijn brieven omschrijft dokter Thompson haar als een ‘tamelijk solitair en onafhankelijk elfje’.

Haar wereld wordt door Watson liefdevol beschreven, met veel aandacht voor details. Dat de roman geen opsommend karakter kreeg, komt ook doordat Watson elk hoofdstuk als zelfstandige eenheid beschouwt. Veel hoofdstukken eindigen met slotzinnen die je even doen pauzeren, alsof je zojuist een kort verhaal hebt gelezen. Watson dwingt zo tot zorgvuldig, langzaam lezen en dat is precies het goede tempo voor Juffrouw Jane.

Tegen het einde toe wordt het leven van Jane steeds ingetogener en dromeriger. De pauwen, die dokter Thompson hield, zorgen voor de juiste dosis verwondering, ze tillen het verhaal uit boven het niveau van alledaags realisme. Volgens het nawoord waren die pauwen een idee van de kleindochter van de auteur. ‘Opa zou er een pauw in moeten doen.’ Een goed advies. Schrijvers die denken: er ontbreekt nog iets, moeten even langs de kleindochter van Watson.