Recensie

Marskramer in uranium

Jaap Kistemaker

Deze natuurkundige staat aan de basis van de uraniumverrijking. Hij ontwikkelde de centrifuge, en Niels Bohr kwam in zijn laboratorium kijken.

Natuurkundige Jaap Kistemaker in 1996 Foto: Evelyne Jacq/Hollandse Hoogte

Een derde van al het verrijkt uranium dat in kerncentrales wordt gebruikt voor elektriciteitsopwekking komt uit Nederland. Dat het staatsbedrijf Urenco in Almelo zo’n belangrijke positie inneemt is vooral te danken aan het pionierswerk van Jaap Kistemaker (1917-2010). Hij mocht vlak na de Tweede Wereldoorlog als jonge

natuurkundige uitzoeken hoe je lichte en zware atomen van elkaar kunt scheiden.

Natuurlijk uranium bestaat uit twee soorten atomen met verschillende massa, waarvan alleen de lichtste (het U-235) nuttig kan worden gebruikt. Helaas komt deze slechts voor minder dan één procent in natuurlijk uranium voor. Voordat het gebruikt kan worden moet dat percentage dus omhoog, en Kistemaker moest uitzoeken hoe dat het beste kon.

Wetenschapshistoricus Abel Streefland beschrijft in zijn onlangs verschenen proefschrift Jaap Kistemaker en uraniumverrijking in Nederland 1945-1962 hoe Nederland dankzij Kistemaker uitgroeide tot een grootmacht op het gebied van uraniumverrijking. Deels was dat toeval; de regering had al in 1938 tweehonderd vaatjes uraniumerts gekocht en die in de oorlogsjaren verborgen weten te houden. Die boden Kistemaker een vliegende start. Met steun van de regering en bedrijven begon hij in een verlaten bedrijfshal van het Amsterdamse elektriciteitsbedrijf zijn experimenten. Met gevoel voor publiciteit overhandigde hij eind 1953 tien milligram verrijkt uranium aan de voorzitter van de reactorcommissie.

Centrifuge

Buiten de VS en het Verenigd Koninkrijk was uranium op dat moment nog nergens te krijgen. Geen wonder dus dat buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders en beroemde wetenschappers als Niels Bohr de weg naar Kistemakers laboratorium wisten te vinden. Toch werd al snel duidelijk dat de gebruikte scheidingsmethode niet veel hoop bood voor productie op grote schaal. Maar Kistemaker kreeg een nieuw idee: er moest een centrifuge worden ontwikkeld, waarmee de zwaardere uraniumatomen konden worden ‘uitgeslingerd’.

Het was het begin van een nieuwe reeks experimenten, ditmaal in een oude schuilkelder in Amsterdam. Het vergde heel wat technisch vernuft om de techniek enigszins onder controle te krijgen. Zo veel mogelijk werd direct gepatenteerd hetgeen uiteindelijk, toen het op internationale samenwerking aankwam, erg belangrijk zou blijken te zijn.

Kistemaker zelf speelde toen al meer de rol van projectmanager dan van wetenschappelijk onderzoeker, wat bij hem tot veel frustratie leidde, over de financiële ondersteuning van het onderzoek, de groeiende bureaucratie en de noodzaak tot geheimhouding. Vooral dat laatste druiste in tegen de idealen van deze ‘wetenschappelijke handelsreiziger’, die een omvangrijk netwerk opbouwde.

Onrust

Vanaf 1960 werd het voor hem met de dag moeilijker om het project te blijven leiden. Daar kwam nog eens bij dat er maatschappelijke onrust ontstond door publicaties in het communistische dagblad De Waarheid waarin gesuggereerd werd dat Kistemaker meewerkte aan de ontwikkeling van Duitse kernwapens. Wat het voor hem nog erger maakte was dat hij vlak na de oorlog al in problemen was gekomen door zijn banden met Cellastic, een schimmige firma in Parijs die een dekmantel zou zijn geweest voor atoomspionage voor de nazi’s. Dit was er mede oorzaak van dat Kistemaker in 1962 de leiding over het ultracentrifugeproject neerlegde en zich als directeur terugtrok op zijn onderzoeksinstituut, waar hij tot op hoge leeftijd te vinden was. Hij maakte mee dat ‘zijn’ technologie een groot succes werd. In 1971 was namelijk bij het verdrag van Almelo besloten dat Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk gezamenlijk zouden gaan proberen een verrijkingstechnologie te ontwikkelen. Nadat dit was vastgelopen, werd besloten tot een onconventionele oplossing: elk land zou zijn eigen demonstratiefabriek bouwen en de beste zou worden uitverkoren. Duitsland deed dat noodgedwongen net over de grens in Nederland omdat het op eigen grondgebied niet aan kernwapens mocht werken. De Duitse technologie bleek uiteindelijk de beste.

Streefland zet de ontwikkelingen helder uiteen en levert zo een degelijk stuk wetenschapsgeschiedenis af. Hij wist onder meer de hand te leggen op het ‘rode boekje’, waarin Kistemaker zelf al zijn ervaringen met de ontwikkeling van de ultracentrifuge had opgeschreven, maar dat nog altijd niet is gepubliceerd.

Kistemaker vormt de leidraad van Streeflands boek, al maakt hij wel duidelijk dat hij niet alléén verantwoordelijk is geweest voor het succes. Tot in detail wordt de bijdrage van elke betrokken wetenschapper, technicus, beleidsmaker en bestuurder geschetst, wat de leesbaarheid niet altijd ten goede komt. Ik had zelf graag veel meer over Kistemaker zelf willen lezen, over zijn drijfveren, zijn karakter, over hoe zijn leven en werk elkaar beïnvloedden, en ook niet alleen over de kleine twintig jaar dat hij bij het verrijkingsproject betrokken was. Deze markante en kleurrijke natuurkundige verdient een échte biografie.

    • Rob van den Berg