Column

Een brilletje en drie knolletjes

Joyce Roodnat

In de Amsterdamse Stadsschouwburg werd een portret van Gerardjan Rijnders onthuld. Het schilderij klopt. Rijnders oogt onverschrokken en weerloos tegelijk.

Gerardjan Rijnders bij de onthulling van zijn portret, geschilderd door Pieter Athmer. Foto Erik van Zuylen

Het schilderij wordt onthuld, en ik denk: maar wás dat er dan nog niet? Nee dus. De portrettengalerij in de gangen van de Amsterdamse Stadsschouwburg stroomt over van theatergrootheden. Er zijn tuthola-schilderijen bij, maar op de goeie zie je de schaduw van iemands betekenis. Ik houd van het zwaar zwart-witte rouwportret van de plotseling en veel te vroeg gestorven acteur Jeroen Willems. En altijd sta ik stil bij het portret van Joop Admiraal. Hij heeft een feesthoedje op zijn milde kop: deze acteur vertolkte consequent ons aller absurde kleinheid.

Het portret van Gerardjan Rijnders (1949) ontbrak. En als er nou iemand het Nederlandse toneel een trap heeft verkocht waarna het nooit meer hetzelfde zou zijn, dan is hij dat.

De onthulling van zijn schilderij besluit de talkshow Een leven lang theater, waar elk kwartaal een kopstuk op een zondagmiddag komt vertellen over zijn carrière, met foto’s en met filmpjes. En altijd is dat leuk. Buiten schijnt de zon, maar dat terrasje pakken we straks wel. Nu luisteren we naar Rijnders. Alweer achttien jaar geleden gaf hij zijn toppositie in de Amsterdamse schouwburg door aan Ivo van Hove. Hij dook in een freelance-bestaan en dat bevalt hem best.

Recent regisseerde hij Romp, een voorstelling met Karina Holla – een theatermaakster die ik hier in de schouwburg ook wel eens ondervraagd wil zien worden. Rijnders acteerde er zelf in. Naakt, dat zien we in een filmpje. Waarom naakt? „Ik dacht, laat ik iets toevoegen door iets uit te trekken.”

Nu trekt hij het doek weg en daar is hij, geschilderd door Pieter Athmer. Naakt. Daar stond hij op, grijnst hij, „want die schilderijen hier vond ik een beetje suf”.

Wij verdringen ons voor zijn portret, het toont een schrale oudere man. Hij leunt naar ons toe, attente ogen achter zijn brilletje, drie knolletjes tussen zijn benen.

Het schilderij klopt. Rijnders oogt onverschrokken en weerloos tegelijk, en dat is precies zoals hij werkt. Vrouwelijk naakt ging door voor decoratief, maar hij kleedde destijds al snel ook mannelijke acteurs uit. Hij dwong het Nederlandse publiek te erkennen dat naakt geen onzin is en ook geen franje. De mensen in de zaal waren het niet gewend, ze keken, geneerden zich, ze voelden zich zelf naakt. Wat moest dat? Naakt is éérlijk, klonk het vroom. Nee hoor. Op het toneel is naakt theater, ook al is het echt. Naakt is waarmee Rijnders laat zien wat theater ten diepste is: de kunst van de kwetsbaarheid. De acteur is zijn eigen werktuig, zijn lichaam is het enige wat hij heeft. Hij kan poseren, zich aanstellen, galmen, snotteren, ijdeltuiteren. Maar dan wordt theater, inderdaad, een beetje suf. En daar strijdt Rijnders tegen. Consequent en nog altijd.