Brieven

Brieven

Meestal kan een dode filosoof niks terugzeggen als een latere lezer over zijn werk wauwelt. In het geval van Arnon Grunbergs recensie van Friedrich Nietzsches De vrolijke wetenschap heeft hij dat echter al gedaan (De God van de behaaglijkheid, 11/5).

In een laatste poging een serieuze reactie op zijn werk uit te lokken stuurt Nietzsche in februari 1888 zijn meest recente twee boeken, Voorbij goed en kwaad en De genealogie van de moraal aan een auteur, in de hoop dat er een degelijke bespreking van zijn werk in de krant verschijnt.

Die hoop vervliegt als Nietzsche het stuk onder ogen krijgt. De recensent is louter op de esthetische aspecten ingegaan. Niet de inhoud wordt besproken maar de stijl waarin dat gebeurt.

Nietzsche recenseert de recensie, en dat mag recensent Grunberg op zichzelf van toepassing achten, als Nietzsche schrijft: „Maak ik dan literatuur? – Hij schijnt zelfs mijn Zarathoestra als een hogere soort stijloefening te beschouwen.”

Inhoud, meneer Grunberg, ging bij Nietzsche altijd boven stijl.


classicus en Nietzsche-kenner

    • Peter Claessens