Recensie

Aan tafel met een vader en een mond zonder eigenaar

Edina Szvoren De wonderlijke verhalenbundel van de Hongaarse schrijfster Edina Szvoren dwingt je te puzzelen. De rappe stijl en de samenhang tussen de verhalen maken een mooi geheel, dat wel wat mat is.

De in Hongarije veelgeprezen Edina Szvoren (Boedapest, 1974) schreef drie verhalenbundels. Voor De hondenschool (de tweede bundel, de enige in vertaling) ontving ze in 2015 de EU-Literatuurprijs. De twaalf verhalen in De hondenschool zijn opmerkelijk. Szvoren lanceert de lezer in de levens van verse of belegen gezinnen, waardoor die ineens aan tafel zit met een vader en een ‘mond zonder eigenaar’. Mond blijkt moeder: context komt (eventueel) pas later en ondanks het rappe verteltempo tergend druppelsgewijs.

Laconieke ontvoering

‘Zeven hoofdstukken van één verhaal’ is daarin het toppunt: alle personages van de schijnbaar losse delen van het verhaal (zoals een meisje dat nogal laconiek tegenover haar eigen ontvoering staat, een zwager die gewichtheft met zijn piemel, een man die een hondengevecht aanschouwt), zijn ingenieus met elkaar en soms ook met andere verhalen uit de bundel verbonden, je komt er niet meteen achter hoe. Wat afleidend, dat gepuzzel, want je moet al zo opletten. De stilistische gelijkenissen tussen alle verhalen (ook die binnen de bundel) zijn zo groot dat de (vertel-)stemmen van de personages moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn, zelfs als het gaat om een vijfjarige versus een oudere vrouw, of personages voor en na de Wende. Veel korte zinnen, steeds het isoleren van het banale waardoor het iets grotesks krijgt, talloze curieuze causale verbanden, vaak voorafgegaan door een ‘maar’. Een kind over zijn moeder: ‘Ze heeft vrij genomen om De sterren van Eger te lezen maar ik houd er niet van als ze me kust.’

Die rappe stijl, waardoor personages in een soort getroebleerde ADHD’ers veranderen, het echoën van andere verhalen en thema’s: het maakt een mooi geheel van de bundel, maar de vraag is of het niet ook wat matteert. Als er vrijwel nergens een duidelijke pointe te ontwaren valt (is dat dan juist het punt?), kan zo’n geheel afglijden in een kille afstandelijkheid die, hoewel veelzeggend, de leeservaring niet noodzakelijk prettiger maakt.

Wonderlijke bundel

Een aantal verhalen biedt wat rust. Zoals ‘Hondenschool’, over een moeder die met haar ‘liefdeskind’ naar Bonn verhuist en daar bij een vreselijke kerel terechtkomt. Het verhaal is van een hopeloosheid die door merg en been gaat. Een wonderlijke bundel dus, waarin de lezer nauwelijks een hand toegereikt krijgt. Vermoedelijk verdwaalt de niet uitermate ingevoerde Nederlandse lezer daarin eerder dan de Hongaarse, die het Hongarije waarover geschreven wordt kent, en ook de literatuur waarnaar verwezen wordt. Het is niet altijd erg, dat verdwalen. Soms zelfs lekker. Maar een nawoord van bijvoorbeeld vertaler Frans van Nes had niet misstaan.

    • Roos van Rijswijk