Opgevoed: Achtjarige stelt moeilijke vragen

Opgevoed Elke week legt Annemiek Leclaire een lezersvraag voor aan deskundigen. Deze week: een filosofisch kind.

Illustratie Martien ter Veen

De kwestie

Vriend van de familie: „Ik kom vaak op bezoek bij vrienden die een zoontje hebben van 8 jaar. Hij heeft al van jongs af aan heel ingewikkelde, filosofische vragen, waar hij zich oprecht zorgen over maakt. Bijvoorbeeld: ‘Hoe weet ik zeker dat ik echt besta?’ En ‘Wie ben ik eigenlijk?’ Ik ben zelf werkzaam als filosoof, maar ik heb geen idee hoe ik moet antwoorden op de vragen van zo’n jong kind. Hoe ga je om met vragen van kinderen waarvan je denkt: ‘Hier zouden ze zich op deze leeftijd nog helemaal niet mee bezig moeten houden?’ Ga je er serieus inhoudelijk op in? En wat antwoord je dan precies? Wat laat je weg? Wat zeg je juist wel? Laat je zo’n kind met een filosoof in gesprek gaan? Of probeer je kinderen juist af te leiden van dit soort kwesties? Motiveer je ze op zo’n moment om fysiek aan de slag te gaan?”

Naam is bij de redactie bekend. Deze rubriek is anoniem, omdat moeilijkheden in de opvoeding gevoelig liggen. Wilt u een dilemma in de opvoeding voorleggen? Stuur uw vraag of reacties naar opgevoed@nrc.nl.

Ga erop in, maar doe het speels

Jelle Jolles: „De denkfout hier is veronderstellen dat een kind bij vragen als ‘besta ik wel echt’ dezelfde, mogelijk depressieve, beleving heeft als een volwassene. Kinderen denken niet als volwassenen, zelfs niet als ze ‘volwassen woorden’ gebruiken. De beleving die het kind erbij heeft is totaal anders dan die van ons.

„Het kind is niet te jong om zich met deze vragen bezig te houden. Het is prachtig dat hij breder en dieper kijkt dan wat hij in het hier-en-nu waarneemt. Het is de kern van de opvoeding dat je jongeren niet alleen inleidt in de fysieke wereld maar ook in de denkwereld van de volwassenen; dat je ze voedt met gedachten waardoor ze zelf een creatieve invulling aan hun leven kunnen geven.

„Dus ga er zeker op in, maar doe het speels. Maak er een geestige conversatie van. Stel wedervragen: ‘Ik vraag me ook wel eens af of jij of mamma bestaan. Denk jij dat ik besta?’ Help het kind om zijn gedachten te verwoorden, dat vergroot zijn denkvaardigheden.

„Stimuleer hem daarnaast ook om te rennen, aan takken te hangen. Zo zorg je dat een taalvaardig kind zich niet alleen maar cognitief ontwikkelt.”

Ga de vragen filosofisch te lijf

Stijn Sieckelinck: „Het hoort bij het ontwikkelingsstadium van het kind om grote vragen te stellen. Het wijst niet op problemen met de mentale gezondheid. Daarom zou ik de vragen niet therapeutisch te lijf gaan, maar filosofisch. Dit zijn vragen waarover filosofen zich al eeuwenlang het hoofd breken. Ik zou het kind behoedzaam in contact brengen met de filosofische traditie, zonder te suggereren dat er een sluitend antwoord komt, die zijn er niet op dit soort existentiële vragen.

„Het lijkt me een droomrol voor u als filosofische huisvriend om de vragen van het kind te verfijnen en te helpen onderzoeken. Filosoferen is meer nog dan liefde voor de wijsheid, liefde voor de twijfel bedrijven. Die twijfel is te verdragen als men er niet helemaal alleen voor staat.

„Belangrijk is het kind te laten zien dat het niet de enige is die dit soort vragen stelt. Jongeren die radicaliseren konden vaak in eigen kring niet terecht met hun existentiële vragen en werden in de armen gedreven van extremisten met kant-en-klare antwoorden. Een kind door middel van gesprek in verbinding brengen met een traditie van denkers voorkomt dat het vragen zijn die isoleren.”

    • Annemiek Leclaire