Opinie

Noem onschuldige peuter geen jihadkind

Woordkeuze kan politieke besluitvorming beïnvloeden. Een reden te meer om kinderen niet te framen als terrorist, schrijft

Ineens duikt de term overal op: jihadkinderen.

In Trouw: ‘Verdienen jihadkinderen een warm welkom in Nederland?’ NOS: ‘Frankrijk helpt ‘jihadkinderen’’. En NRC, woensdag: ‘Grapperhaus: jihadkinderen moeten kunnen terugkeren’. De kop van een Volkskrant-artikel over datzelfde onderwerp bood nog enige hoop (‘Grapperhaus wil kinderen van Nederlandse jihadstrijders toch proberen terug te halen uit IS-gebied’), maar in het artikel wordt vervolgens consequent gesproken over jihadkinderen.

Er is één probleem: we hebben het hier vooral over onschuldige peuters.

145 kinderen, de meerderheid is jonger dan 4

Volgens de laatste cijfers van de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid (NCTV) gaat het om zo’n 145 kinderen in strijdgebieden die de Nederlandse nationaliteit hebben of daarop aanspraak kunnen maken. Een deel van hen zit vast in kampen in Syrië. En de meerderheid is jonger dan vier.

We hebben het dus over kinderen die amper kunnen praten en toch vrij consequent worden weggezet als terrorist.

Wat opvalt, is dat de term vooral populair lijkt bij koppenmakers. Dagbladen Trouw en Het Parool plaatsten de term bijvoorbeeld doodleuk boven opiniestukken van een auteur die de term doelbewust meed. Ook minister van Justitie en Veiligheid Ferdinand Grapperhaus gebruikte de term niet dinsdagavond bij Pauw en toch kreeg het woord een prominente plek in de hierboven aangehaalde artikelen.

De ombudsvrouw zegt het in ieder geval niet

Verschillende kranten gebruiken de term bovendien bij verwijzingen naar een interview van NRC Handelsblad met Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer. Ze doet daarin een oproep aan het kabinet om zijn verantwoordelijkheid te nemen en al het mogelijke te doen om deze kinderen terug te halen.

Boven het interview staat de volgende kop: ‘Wachten tot jihadkind uit kamp komt is onacceptabel’. Met jihadkind dus tussen aanhalingstekens, alsof dat de woorden zijn van de Kinderombudsvrouw. In het interview komt de term echter niet terug. Toeval?

Nee, laat ze me desgevraagd weten: „We kiezen er bewust voor om deze term zelf te mijden, omdat het erg stigmatiserend is en ook onjuist. Je zet kinderen weg als jihadstrijder, als terrorist.” Dat roept toch de vraag op hoe deze term in de kop van NRC is beland en daarmee in veel kranten die naar het artikel verwezen.

Woordkeuze beïnvloedt het debat

Maakt zo’n woordje echt uit? Ja. Uit veel wetenschappelijk onderzoek weten we hoe terminologie een maatschappelijk debat kan beïnvloeden en daarmee ook de politieke besluitvorming. We voelen nou eenmaal wat anders bij ‘aflosboete’ dan bij ‘afschaffing van de wet-Hillen’. Wat anders bij ‘vluchtelingen’ dan een ‘asielplaag’.

Toegegeven: soms is het verschrikkelijk lastig om neutrale taal te vinden, omdat bijna elk woord beladen lijkt. Dat ligt hier anders: de term is eenvoudigweg onjuist. Dit ene woordje suggereert dat de kinderen vechten in een strijd, al kunnen ze amper lopen. Dat ze geloven in een ideologie, al kunnen ze amper praten.

En ja, er zijn best oudere kinderen die wél hebben gevochten of dat eerder hebben gedaan – zoals er ook kindsoldaten zijn in andere oorlogsgebieden. Je kunt ook prima discussiëren over de vraag of het wenselijk is om deze kinderen in uitzonderlijke gevallen naar Nederland te halen. Maar laten we die discussie wel zuiver houden. Over één ding kunnen we het toch wel eens zijn: een driejarige peuter is geen terrorist.