Festivalpubliek steeds ruiger en energieker

Publieksparticipatie Op bijna elk festival en optreden zie je tegenwoordig kolkende moshpits en crowdsurfers. Het publiek is wilder geworden en wil fysiek betrokken zijn. „Je moet er wat voor over hebben, ik heb overal blauwe plekken.”

Zanger/gitarist Spike van Zoest boven het publiek tijdens een optreden van The Deaf op Pinkpop 2015. Foto Paul Bergen, ANP/KIPPA

Een aanloop nemen, tegen anderen opspringen, naar adem happen en nog een keer. Botsen, duwen, een schoen kwijtraken. Meezingen, vallen, overeind getrokken worden, andermans haren uit je gezicht vegen.

Na afloop nat van het zweet, met kapotte kleren en blauwe plekken naar huis. Klaar voor het volgende optreden.

De muziekbusiness van tegenwoordig is netjes en goed georganiseerd: artiesten gedragen zich beleefd, concerten beginnen op tijd. In deze wellevende constellatie zijn het nu vooral de bezoekers die voor ruige taferelen zorgen. Hun gedrag is de afgelopen jaren wilder, intensiever en energieker geworden.

Bij bijna elk optreden ontstaat voor het podium een ruimte waarbinnen wordt ‘gemosht’ (in een kolkende zwetende menigte springen mensen tegen elkaar op).

Opvallend genoeg geldt die toegenomen behoefte aan fysiek contact en intensieve participatie voor bijna alle soorten popmuziek. Overal verzamelt het publiek zich in de moshpit. Ooit werd stagediven, crowdsurfen en moshen vooral geassocieerd met punk en hardrock. Maar tegenwoordig gebeurt het ook bij dance, bij psychedelische rock en bij hiphop. Of het nu een dance-festijn is als Defqon, breed geprogrammeerde festivals als Lowlands of Best Kept Secret, of een hiphopfestival als Appelsap, een moshpit hebben ze allemaal. Bij alle genres heeft het publiek blijkbaar behoefte aan de energieke ontlading.

In hiphop noemen ze het de ‘turn up’, in dance wordt het de ‘drop’ genoemd - beide termen slaan op het moment dat het publiek explosief begint te bewegen. Dat gebeurt op een signaal uit de muziek: een plotseling invallende beat, of een kreet van de artiest.

Willy van het Nederlandse rapduo The Opposites crowdsurft op Pinkpop 2013.

Foto Paul Bergen/ANP

Hiphop is winnaar in de publieksparticipatie. Niet alleen het publiek springt en beweegt, ook de artiesten doen alles om hun aanhang op te hitsen. Rappers duiken in het publiek, doen mee in de moshpit, klimmen in lichttorens, of naar de balustrade. Vanaf het podium dirigeren ze de verschillende vormen van publieksgedrag. Zoals: de ‘sit down’ (publiek gaat zitten en springt omhoog, op een teken), een ‘circle pit’ (lege ronde ruimte maken en allemaal tegelijk weer vullen), of een ‘wall of death’ (publiek gaat tegenover elkaar staan en rent zo hard mogelijk op elkaar in).

Noa Hoondert (17) en Kaly Stokkink (19) houden van hiphop en gaan naar zo veel mogelijk concerten. Hoondert ontdekte het moshen een jaar geleden, op Lowlands, tijdens het optreden van de Britse rapper Skepta. „Het was zaterdagmiddag en ik was nog moe van de nacht ervoor. Ik had er niet veel zin in, maar toen ik voor het podium stond zag ik om me heen alleen maar enthousiast springende mensen. Er ontstond een enorme moshpit. Iedereen deed mee. De vloer golfde onder je voeten.”

„Het is de energie van de artiest die de stemming in de moshpit bepaalt”, zegt Kaly Stokkink. Moshen vindt ze de „optimale manier” om de performance te beleven. „Je bent kapot maar er is veel saamhorigheid. Als je valt word je overeind geholpen. En als je je veters moet strikken, vormen een paar mensen meteen een ‘hekje’ zodat je niet omver gelopen wordt.”

Noa Hoondert: „Voor mij is de ‘wall of death’ wel onhandig. Ik ben nogal klein en als iedereen begint te rennen en vallen, eindig ik altijd onderop.”

Verbod

De geschiedenis van het wilde publieksgedrag begint midden jaren zeventig bij punk, toen pogoën (wild tegen elkaar aanspringen) en stagediven (vanaf het podium terug het publiek in duiken) populair werden. Later werd crowdsurfen uitgevonden, waarbij aanwezigen iemand op hun handen ronddragen. Bij punk en bij grunge, in de jaren negentig, werd het wilde gedrag aangemoedigd door de muzikanten voor wie interactie met het publiek een wezenlijk onderdeel van hun optreden vormde.

In de jaren negentig vonden enkele ongelukken plaats tijdens openluchtfestivals. In Ierland stierf een fan tijdens een optreden van Smashing Pumpkins; bij Roskilde, in Kopenhagen, bij het optreden van Pearl Jam, overleden negen mensen in het duwende publiek. Naar aanleiding van deze gebeurtenis besloot Mojo Concerts in 2000 het stagediven en crowdsurfen te verbieden. „Vooral stagediven is riskant. Mensen kunnen terechtkomen op een hek, of op de grond”, zegt Jeps Salfischberger van Mojo. Voortaan werden verbodsborden geplaatst bij festivals, wie toch ging duiken of crowdsurfen kreeg een waarschuwing.

Inmiddels wordt het verbod niet meer strikt gehandhaafd. Ook al omdat het, vooral bij hiphop, vaak de artiesten zelf zijn die het gedrag aanmoedigen.

Maar voor concert- en festivalorganisaties is wild publieksgedrag nog altijd een zorg. Tijdens de optredens wordt het publiek soms zo opgehitst dat de menigte op drift raakt. Ook het Tilburgse hiphop-festival Woo Hah! kende enkele riskante momenten. Vorig jaar sprong hoofdact Travis Scott tijdens zijn show van het podium naar een container rechts ernaast. De hele menigte bewoog met hem mee naar rechts. Maar de smalle ruimte was niet berekend op de druk, en fans raakten bekneld tussen de hekken en het publiek. Dit jaar is Woo Hah! verplaatst naar het grotere terrein van Beekse Bergen, buiten Tilburg. Daarmee groeit de capaciteit van 15.000 naar 30.000 bezoekers.

Sexyland

Jeps Salfischberger, die Woo Hah! programmeert, zegt: „Hiphop is heel populair en het publiek superfanatiek. Ze willen alles zien en altijd vooraan staan. Als organisatie maken we een risicoanalyse, om in te schatten waar problemen kunnen ontstaan. Maar als artiesten onverwachte dingen doen, zoals Travis Scott, dan moeten we snel reageren en beveiligers erop afsturen. Via camera’s houden we de menigten in de gaten, om te kunnen improviseren bij dit soort situaties.”

Op een avond in april treedt Ronnie Flex op in Sexyland, een kleine zaal in Amsterdam-Noord, voor slechts 200 man. De populaire Flex speelt hier, als zijn alter ego Flonti Stacks, een ruige set. Vanaf het eerste nummer draait en springt het publiek in een maalstroom. Als even later Flex zelf eerst zijn diamanten halsketting af doet en op de handen van het publiek duikt, wankelt de menigte heen en weer. De meisjes die vooraan staan worden zo hard geduwd dat ze languit over de monitorboxen vallen. Martina Paradzik (17) is een van die meisjes. Achteraf zegt ze dat het haar niet kon schelen. „Ik zag Ronnie Flex al voor de vijfde keer, en ik wilde helemaal vooraan staan. Je moet er wat voor over hebben, ik heb nu overal blauwe plekken.”

Halverwege het optreden is Teun van Roozendaal (18) „gesloopt”. Hij drinkt een glas water, hij stond vanaf het eerste nummer midden in de moshpit. „Het geeft heel veel energie. Je krijgt meer dan het kost.” Hij gooit zijn beker weg en rent weer de moshpit in, samen met tweehonderd andere wild bewegende Flex-fans. Ze botsen en duwen, laten zich omgooien en springen terug de arena in. Zonder angst of voorbehoud, als vrolijke gladiatoren.