Opinie

    • Maarten Schinkel

Een gevaarlijk spel met de euro in Rome

Terug naar de tijd van vóór Maastricht? Gelekte documenten uit de coalitie-onderhandelingen in Italië suggereren dat de Vijfsterrenbeweging en de Lega Nord, de twee partijen die onderhandelen, het liefst zouden zien dat hun land zijn monetaire en budgettaire soevereiniteit van destijds terugkrijgt. Maar waar ga je dan precies naar terug?

De euro wordt vaak gezien als een plotselinge stap naar verdere integratie, die in 1992 zijn beslag kreeg in het Verdrag van Maastricht. De werkelijkheid is gecompliceerder. Europa had sinds 1957 nooit veel last van interne valutaschommelingen. Alle Europese munten zaten vast aan de Amerikaanse dollar, onder het systeem van Bretton Woods dat dertien jaar eerder, in 1944 was overeengekomen. De dollar zelf was op zijn beurt gekoppeld aan goud.

Dit getrapte systeem zorgde lang voor stabiliteit. Indirect was het gevolg dat er eveneens vaste wisselkoersen waren tussen de EEG-leden onderling, behoudens een enkele officiële devaluatie van tijd tot tijd. Dat veranderde toen begin jaren zeventig bleek dat Bretton Woods onhoudbaar was en de Amerikanen de koppeling tussen dollar en goud los moesten laten.

In Europa was nauwelijks gerekend op de chaos die dat teweegbracht. Een goed functionerende interne markt komt in de problemen als de onderlinge wisselkoersen wild gaan fluctueren. En dus werd een oplossing gezocht. Een ‘slang’, waarin de munten los-vast aan elkaar zaten. Een ‘tunnel’ om te voorkomen dat die slang van wisselkoersen te wild ging kronkelen. En uiteindelijk een Europees Monetair Stelsel (EMS) dat verordonneerde dat munten binnen een enge bandbreedte ten opzichte van elkaar mochten fluctueren. Centrale banken moesten door de rente te verhogen of te verlagen voorkomen dat hun munt uit zijn band brak, tot aan steunaankopen en -verkopen toe.

Alles mislukte. Het was de val van de Italiaanse lire die, samen met het Britse pond, in september 1992 de doodsklok van het EMS luidde. Toen een jaar later een run op de Franse franc noodzaakte dat de bandbreedte zodanig moest worden opgerekt dat hij zijn betekenis verloor, was het systeem ter ziele.

De euro komt dus niet uit de lucht vallen. Hij is de zoveelste oplossing voor een blijvend probleem: wisselkoersstabiliteit in de EU. Uiteindelijk komt het erop neer dat alle deelnemende landen min of meer dezelfde budgettaire en economische beleidsprincipes hanteren. Inderdaad: dat je met zijn allen meer gaat lijken op één land. Of de architectuur van de euro daar ideaal voor is, is een tweede. Maar terug naar vóór Maastricht lost weinig op.

Italië heeft heimwee naar het devalueren van zijn munt. Dat was, en is, een schijnoplossing

Dat geldt zeker voor de Italianen. Er lijkt een heimwee te bestaan naar de tijd dat een verlies aan concurrentiekracht kon worden opgelost door van tijd tot tijd de munt te devalueren. Dat was, en is, een schijnoplossing. Inflatie holt de herwonnen concurrentiekracht vanzelf weer uit, en het enige wat je er aan overhoudt is een risicopremie op je rente, die de rentevoet hoger maakt dan hij zou hoeven zijn.

Kan Rome zich dit permitteren? Een staatsschuld van 130 procent van het bruto binnenlands product zegt al genoeg. Dan duurt het inderdaad niet lang voor er een oproep komt die schuld gedeeltelijk kwijt te schelden of af te schrijven, middels de 250 miljard aan staatsleningen die in het kader van het opkoopbeleid van de Europese Centrale Bank rusten op de balans van de Banca d’Italia. Monetaire financiering dus? Of een parallelle munt? Dit is een uiterst riskant pad, niet alleen voor Italië, maar ook voor de andere eurolanden.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.
    • Maarten Schinkel