De zeehond doet het goed, maar verder...

Waddengebied Op de Wadden is veel natuur bedreigd, aldus een groot internationaal rapport. Ministers uit Nederland, Duitsland en Denemarken vergaderen in Leeuwarden over betere bescherming.

Willen we de natuurwaarden van het Waddengebied in de toekomst behouden, evenals de werelderfgoedstatus, dan moeten we „hard aan het werk”, aldus de Waddenvereniging in een analyse van een rapport van meer dan 100 Nederlandse, Duitse en Deense wetenschappers dat vandaag verschijnt.

Het rapport is basismateriaal voor een internationale conferentie met ministers uit Nederland, Duitsland en Denemarken – de drie landen waarin het Waddengebied ligt.

„Die drie werken al meer dan twintig jaar samen aan het monitoren van de natuur”, vertelt Katja Philippart van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (NIOZ), die meeschreef aan het rapport. Ze is tevens bestuurslid van de Waddenacademie en bijzonder hoogleraar productiviteit van mariene kustecosystemen aan de Universiteit Utrecht. Om de vier of vijf jaar verschijnt er zo’n rapport waarin staat hoe het gaat met de natuur in het waddengebied.

Zeehonden

Er zijn gunstige ontwikkelingen. Het gaat bijvoorbeeld goed met de zeehonden in de Waddenzee. Na een dieptepunt rond 1975 lijken de zeehonden met bijna 40.000 dieren nu hun maximum te benaderen. „Dat komt vooral het verbod op de jacht en tegengaan van milieuverontreiniging”, vertelt Philippart. „Maar de vraag blijft: wat bepaalt nu het maximum aantal zeehonden? Is dat de voedselbeschikbaarheid? Het aantal rustplekken? Of iets anders? We weten er eigenlijk weinig van.”

Met de trek- en broedvogels is het slechter gesteld, aldus het rapport. In de afgelopen decennia gingen 33 soorten in aantal achteruit en slechts 15 vooruit. Er zijn soorten die broeden in het waddengebied, maar ook soorten die er alleen op doortrek zijn, of er overwinteren. Philippart: „Ook daarvan weten we niet precies waardoor dat komt. Is het iets in de Waddenzee wat wij doen of nalaten? Of zijn er veranderingen in de broed- of overwinteringgebieden?”

De internationale monitoring, zo benadrukt de hoogleraar, stelt de langetermijntrends vast. „Dat is van het grootste belang om de vinger aan de pols te houden. Maar als wetenschappers willen wij veranderingen natuurlijk ook verklaren”, zegt ze. „Daarom krijgen de betrokken ministers vrijdag een onderzoeksagenda aangeboden die ruimte moet bieden om dat soort vragen te beantwoorden.”

Warmer zeewater

Zelf is Philippart hoofdauteur van het hoofdstuk over de invloed van klimaatverandering op het Waddenecosysteem. „Wat al bijna gewoon lijkt, maar het natuurlijk niet is, is het gestaag doorzetten van de temperatuurstijging”, zegt ze. Als het zeewater opwarmt ontstaan er, aldus het rapport, grote veranderingen in het voorkomen van soorten, van kleine bodemorganismen tot vissen en vogels. Door zeespiegelstijging verandert ook de dynamiek van aanslibbing en afkalving van kwelders en wadplaten.

Ingrid Tulp, onderzoeker bij Wageningen Marine Research, is eerste auteur van het hoofdstuk over vis in de Waddenzee. De visstand wordt sinds 1970 bijgehouden. Dat gebeurt met netten vanaf schepen, maar ook met fuiken, bijvoorbeeld bij Texel en bij de sluizen van de Afsluitdijk.

Wat onderzoekers naar boven halen bij visserij voor inventarisatie van wat er in het waddenwater zwemt en loopt. Foto Ingrid Tulp

Tulp en haar internationale collega’s zien wisselende trends voor de verschillende groepen vis. Over het algemeen zwemt er minder en kleinere vis in de Waddenzee dan in de jaren zeventig. Daarnaast zijn de zogeheten kinderkamersoorten sterk achteruitgegaan: soorten als schol, tong en schar, waarvan de jonge dieren eerst een tijd in de relatief beschutte en voedselrijke Waddenzee leven voordat ze naar de Noordzee trekken. „Die afname hangt waarschijnlijk samen met de watertemperatuur”, zegt Tulp. „De jonge platvissen komen nog wel in de Waddenzee, maar vertrekken eerder naar de koudere Noordzee.” Tegelijkertijd neemt een kinderkamersoort toe die wel van warm water houdt: de rode poon. En soorten die hun hele leven in de Waddenzee blijven, kennen zowel dalers als stijgers. Tulp: „Het is niet alleen maar een doemverhaal.”

Ook hier geldt dat biologen veel nog niet kunnen verklaren – en veel simpelweg nog niet weten. Bijvoorbeeld hoe het gesteld is met soorten die niet op de bodem leven maar hoger in de waterkolom, zoals haring, sprot en spiering. „Daar wordt nu nog geen onderzoek naar gedaan”, vertelt ze. „Wat zich onder water afspeelt, valt minder op en staat dus minder in de belangstelling.” Op de onderzoeksagenda die vrijdag in Leeuwarden ter tafel komt krijgt visonderzoek meer prioriteit.

Versnipperd

Ministers uit de drie Waddenlanden ondertekenen vrijdag een verklaring waarin ze afspraken maken over samenwerking, onderzoek en natuurbescherming in het Waddengebied. „In Nederland is het beheer van het Waddengebied erg versnipperd”, stelt Ester Kuppen van de Waddenvereniging, „omdat verschillende terreinbeheerders en Rijkswaterstaat elk een stukje voor hun rekening nemen. Niemand weet nu precies wie waarvoor verantwoordelijk is.”

Twee schollen op de Waddenzeebodem. Foto Robbert Jak

Het laatste regeerakkoord stelt één ‘beheerautoriteit’ voor de Waddenzee voor. „Heel mooi, maar het is nog lang niet duidelijk hoe die vorm gaat krijgen”, zegt Kuppen. „Wij pleiten ervoor dat er één integraal beheerplan komt. En een sterke instantie: met hart voor het wad, kennis van het wad, voldoende geld en mensen, én het vermogen iedereen ook werkelijk mee te krijgen. Anders wordt er vooral veel gepraat zonder dat er echt oplossingen komen.”

    • Nienke Beintema