Opinie

    • Paul Scheffer

Dat waren de namen

De nieuwe directeur van kunstcentrum Witte de With heet Sofía Hernández Chong Cuy. Het is een fijne smeltkroes van invloeden, die de uit Mexico afkomstige curator ons met haar naam laat zien. Ondertussen gaat ze leiding geven aan een instituut dat gebukt gaat onder zijn eigen naamgeving. De zeventiende-eeuwse admiraal Witte Corneliszoon de With mag volgens de raad van toezicht niet langer worden geëerd.

De naamsverandering van het Rotterdamse kunstcentrum vormt onderdeel van een bredere discussie over de omgang met het koloniale verleden. Van allerlei kanten wordt aangedrongen op het verwijderen van herinneringen aan die beladen geschiedenis. De Coentunnel, het Mauritshuis en het Van Heutsz-monument zijn voorbeelden van een kleine beeldenstorm waarin zinnige en onzinnige verlangens, zoals wel vaker, door elkaar lopen.

In een boeiend gesprek met de Volkskrant zegt Sofía Hernández Chong Cuy over de controverse rond haar instituut: „Mensen zijn bang dat met een naamsverandering de geschiedenis wordt uitgewist. Waarom zou die angst belangrijker zijn dan de angst dat delen van de geschiedenis niet erkend worden? Sommigen vrezen het uitwissen van de geschiedenis, anderen vrezen dat zij zijn uitgewist.”

Ze ziet het onbehagen aan beide kanten en wil graag de tijd nemen. Toch gaat de naam veranderen: „Juist in culturele instellingen moeten we over de betekenis van onze symbolen nadenken.” Daarbij is de nieuwe directeur tegenover de interviewer stellig over haar eigen invalshoek: „Ik kom uit Mexico, een voormalige kolonie, daardoor kijk ik hier anders naar dan bijvoorbeeld jij. Common sense is een mythe.”

Zo loopt een hoognodig gesprek over de koloniale tijd al snel uit op een patstelling: uitvlakken of uitgevlakt worden. Maar is dat werkelijk de kwestie? Er bestaat momenteel een schreeuwend onvermogen om verschillende waarheden naast elkaar te laten bestaan. Het idee dat de geschiedenis van de een moet wijken voor de geschiedenis van de ander lijkt me in ieder geval geen uiting van diversiteit.

Hier is een andere gevoeligheid gevraagd: we kunnen nieuwe namen toevoegen zonder de oude namen te schrappen. De Coentunnel hoefde geen andere naam te krijgen om een plein te vernoemen naar de Surinaamse held Anton de Kom. Om een monument ter herinnering aan de slavernij op te richten, was het niet nodig om het Van Heutsz-monument te slopen. De stelregel bij zulke conflicten is: maak de ruimte van het samenleven groter.

Het verdringen van namen helpt niet bij het verwerken van het koloniale verleden. Wanneer een samenleving in de ban raakt van kleurverschil is het moment niet ver weg dat ook wit moet worden gezien als een kleur. Dat is goed volgens de activisten die het ‘witte privilege’ willen ontmaskeren. Je zou ook kunnen denken dat op die manier de vermenging – die op duizend plekken gaande is – wordt ontmoedigd.

Een ideologische strijd om de openbare ruimte loopt uit op toenemende vervreemding – aan alle kanten. We kunnen leren van de Hongaarse schrijver en dissident, György Konrád, die zei te willen leven in een stad waar de straatnamen niet elke tien jaar worden omgedoopt. Kijk naar het huidige Polen, waar de zuivering van het verleden volop gaande is. Daar werd de Volkslegerlaan in Warschau kortgeleden omgedoopt in de Lech Kaczynskilaan, vrij van communistische smetten.

Het spiegelgevecht van ontkenners en omdopers levert vooral verliezers op. Wanneer we de omgeving gaan kuisen, weten we misschien waar het begint maar niet waar het eindigt. Waarom hangt de naam van de antisemiet Richard Wagner in het Concertgebouw? En kan het Beelplein in Franeker nog wel: die politicus was een van de hoofdrolspelers in de oorlog tegen de onafhankelijkheid van Indonesië. Nu we toch bezig zijn: waarom is er in Rotterdam een Pyke Kochpad? Was die schilder niet fout in de oorlog?

En dan komt ooit, waarschijnlijk eerder dan gedacht, een discussie over de Gandhilaan in Amsterdam, Delft of Zeist. Wie zich een beetje verdiept in recente biografieën over dit icoon van de twintigste eeuw – bijvoorbeeld die van Joseph Lelyveld – struikelt al snel over Gandhi’s omgang op hoge leeftijd met jonge vrouwen en meisjes. De details kunt u zelf lezen. Volgens de normen van de #MeToo-beweging schoot hij, zacht gezegd, tekort.

Van mij mogen al deze namen onze straten, pleinen, gebouwen, instituten en zalen blijven sieren. Ze maken deel uit van een geschiedenis waarin de vrijheid met vallen en opstaan vorm heeft gekregen. Waar nodig geven we tekst en uitleg. Juist wanneer al die pijnlijke lagen van het verleden zichtbaar blijven, moeten we er over spreken. Mijn suggestie: het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With organiseert jaarlijks een Anton de Kom-lezing.

Paul Scheffer is hoogleraar Europese studies.
    • Paul Scheffer