Foto Merlijn Doomernik

‘Vroeger was het spannend om naar modeshows te gaan’

Mode Na 27 jaar stopt Gerda van Ravenstein met haar designerboetiek. „Het is al een tijdje geleden dat ik écht enthousiast ben geweest. De collecties zijn veel commerciëler geworden.”

Eerst wil ze dit even kwijt: Van Ravenstein is níét failliet. „Alles wat in de winkel hangt, is betaald. We hebben geen schulden”, zegt Gerda van Ravenstein, de rijzige, altijd stoer geklede naamgeefster van de winkel. Toch gaat de beroemde, in Belgische en andere vooruitstrevende vrouwenmode gespecialiseerde Amsterdamse designerboetiek deze zomer na 27 jaar dicht.

Van Ravenstein zelf wordt dit jaar 70. Afgelopen september, net nadat ze de collecties voor voorjaar 2018 had ingekocht, kreeg ze te horen dat ze borstkanker had. Met de chemokuren is ze nu klaar, binnenkort begint de bestraling. De prognose is goed, maar haar ziekte heeft haar duidelijk gemaakt dat het echt tijd is om met pensioen te gaan. „Ik leef ook maar een keer”, zegt ze. „Ik ben mijn hele leven dienstbaar geweest.”

Haar ex-schoonzus Linda Merkx, die altijd in de winkel heeft gewerkt en een belang heeft in de zaak, durft het niet aan Van Ravenstein over te nemen: multibrandboetieks zoals Van Ravenstein hebben het zwaar. Trouwens: ze zou geen cent van de bank hebben kunnen lenen.

Sinds ze het eind vorige maand aankondigde, heeft Gerda van Ravenstein „zó veel mooie e-mails gekregen.” De écht goede klanten heeft ze geantwoord wat ze vroeger nooit zou hebben gezegd: „Je hebt genoeg. Kijk maar in je kast. Nu moet je voor je oude dag sparen.”

Van de merken die ze verkoopt heeft ze weinig gehoord. Behalve dat ze het vervelend voor de andere winkels vonden dat ze zo vroeg is begonnen met afprijzen.

Nonnen

In de ruime loft in Gent die Van Ravenstein deelt met haar echtgenoot, kunstenaar Hillebrand van Kampen, komen na de taart quiche en rosé op tafel. Ze wonen er nu zes jaar – ze kregen genoeg van de drukte in Amsterdam en hadden al vrienden in Gent. Op het terras wijst Van Ravenstein het ziekenhuis aan waar ze wordt behandeld. Ze kan er lopend naar toe.

Van Ravenstein, de derde van zes kinderen, groeide op in Geldrop. Haar ouders hadden er een schoenenzaak, die grotendeels dreef op de nonnen uit het klooster dat ertegenover zat. „Eerst kregen die allemaal van die zwarte nonnenschoenen, maar op gegeven moment mochten ze in burger. Het werden heel lastige en veeleisende klanten, ze werden opeens erg ijdel.”

Op haar vijftiende, net klaar met de mulo, begon ze in de schoenwinkel te werken – verder doorleren mochten de meisjes niet, alhoewel haar oudere zussen het vertikten om in de zaak te gaan. „Ik was braaf. En een harde werker. Mijn ouders lieten me al op mijn vijftiende een week alleen met het huis en de winkel toen ze op vakantie gingen.” Ze trouwde met het vriendje met wie ze al sinds haar zestiende samen was. „Leuke man” – maar hij was net onder het juk van zijn ouders uit en „altijd met de motor op stap”.

Als je vroeger iets niet had, of er was een maat niet meer, dan kochten klanten iets anders. Nu gaan ze naar de grote webshops

Gerda van Ravenstein

Na de scheiding verhuisde ze met haar zoon Barend naar Amsterdam, waar twee zussen al woonden. Ze was 22 toen ze bij hen introk, haar zoon twee. Ze nam een kantoorbaantje en volgde, op aanraden van haar toenmalige vriend die uit „intellectuele kringen” kwam, het avond-vwo, gevolgd door een studie rechten. Bij de advocaat waar ze daarna ging werken hield ze het niet lang uit. „Ik was al met Hillebrand en we hadden het erg leuk samen. Ik had geen zin om elke ochtend om zeven uur op te staan en de hele dag opgesloten te zitten.”

Onbekende Belgische ontwerpers

Het was Van Kampen die op het idee kwam een winkel te beginnen. De BKR [de Beeldende Kunstenaars Regeling, waarbij kunstenaars in ruil voor kunstwerken een inkomen kregen, red.] was in 1987 gestopt en daardoor moest hij op zoek naar een nieuwe vaste bron van inkomsten. Een vriend vertelde hem dat er een pand in de Runstraat leeg stond. Van Ravenstein: „Ik kreeg sterren voor mijn ogen. Oh nee, dacht ik, niet weer een winkel.”

Toen ze aan het idee gewend was, dacht ze aanvankelijk aan een boekwinkel. Een modewinkel bleek gemakkelijker. Via haar jongere zus, het topmodel Apollonia, kwam ze weleens in de showroom van een ontwerper, en ze deed af en toe styling voor diens toenmalige echtgenoot, de fotograaf Bart van Leeuwen.

In 1991 ging de winkel open, met vooral onbekende Belgische ontwerpers, en ingericht door Van Kampen.

Twee jaar later hing er voor het eerst Dries Van Noten, dat snel het belangrijkste merk werd van de winkel. Van Ravenstein moest „een soort examen” doen om het te mogen verkopen. Er kwam een delegatie naar Amsterdam om de winkel te bekijken. Vervolgens moest ze in de showroom in Parijs laten zien hoe ze zou inkopen. Het rek dat ze samenstelde werd goedgekeurd, maar ze moest toch nog een half jaar wachten tot ze daadwerkelijk kon bestellen. Daarna werd het gemakkelijk om ook andere bekende merken in te kopen.

Lees ook het interview met Dries Van Noten: ‘Ik ben zot van mode, maar soms weet ik echt niet meer waar ik naar aan het kijken ben’

Het legendarische Maison Martin Margiela wilde ze aanvankelijk zelf niet hebben: „Je zat in de showroom aan van die lange tafels. Je mocht niet weg om iets te eten, maar je kreeg ook niets. En een gedeelte van de collectie was van vuilniszakken gemaakt. Ik vond het verschrikkelijk. Later werd het toegankelijker en hebben we alle lijnen goed verkocht. Ik heb zelf ook veel pakken van hem gehad, die vond ik fantastisch.”

Drempel

Van Ravenstein is altijd een winkel met een drempel geweest: de grote ruimte met de spierwitte inrichting, de stilte – Gerda van Ravenstein heeft een hekel aan muziek in winkels, „dat draait maar door.” „We waren ook niet gezellig, we deden nooit borrels voor klanten.” Daar tegenover staat dat het personeel de mensen ook met rust durfde te laten.

Die sfeer, en natuurlijk de prijzige, bijzondere en stoere mode trok een bepaalde vrouw aan. Lang niet altijd jong, werkend, zelfstandig, vaak artistiek. Hoewel: voor Dirk Bikkembergs kwamen weleens van die „heel ordinaire” vrouwen. „Die hadden dan een pak geld bij zich! En de smerige dingen die ze zeiden! Dat het lekker strak in het kruis moest zitten, en zo. Zonder dat iemand het had gepast, namen ze twintig kledingstukken mee. Daar hebben wij veel lol om gehad.”

Tot 2008 is het altijd goed gegaan met de winkel in Amsterdam, die sinds 1997 op de hoek van de Keizersgracht en de Huidenstraat zit en waar de eerste jaren ook mannenkleding werd verkocht – ze stopte er achteraf te vroeg mee, net voor de mannenmode ging boomen.

Wij waren niet gezellig

Gerda van Ravenstein

Dat het daarna minder werd, lag niet alleen aan de crisis. Er kwam meer concurrentie, eerst in de stad. De laatste paar jaar heeft Van Ravenstein vooral te lijden gehad onder grote onlinewinkels als Mytheresa en Net-a-porter. „Als je vroeger iets niet had, of er was een maat niet meer, dan kochten klanten iets anders. Nu gaan ze naar de grote webshops, die hebben ook een veel groter aanbod. Wij zijn een etalage voor ze geworden.”

Mensen kochten voorheen ook nog voor een heel seizoen tegelijk, vertelt ze, „zó’n berg kleren”. „Zaterdag was bij ons de winkel vol, dan kwamen de klanten elkaar allemaal tegen en liepen in de kleren rond – zo staken ze elkaar aan.”

Slecht voorjaar

Dit voorjaar heeft haar extra blij gemaakt met haar besluit – nog nooit heeft ze zulke slechte maanden gehad als de eerste drie van 2018. Van buitenlandse collega’s met vergelijkbare winkels hoorde ze hetzelfde. Het zou haar niet verbazen, zegt ze, als er over vijf jaar „geen winkels meer zijn als de onze ”.

Gaat ze de mode missen? „Vroeger was het spannend om naar modeshows te gaan en te zien wat de mode zou gaan worden”, zegt ze. „Maar het is al een tijdje geleden dat ik écht enthousiast ben geweest. De collecties zijn veel commerciëler geworden. En iedereen heeft haast, je krijgt veel minder tijd om je keuze te maken.”

Anne Chapelle is een van de bekendste zakenvrouwen in de mode.Lees ook het interview met haar: ‘In het begin vond ik de modewereld niet prettig’

In een poging een nieuw en jong publiek te trekken, kocht ze twee jaar geleden Vetements in, het label van Demna Gvasalia, dat zeker een jaar geleden nog een enorme hype was. Maar kapot is ze er niet van. „Heel knap neergezet, maar ik vind het opgeklopt. Ik snap wel dat het niet goedkoop kan zijn, maar 1.700 euro voor een broek, daar kan ik niet tegen.” Calvin Klein, dat nu wordt geleid door Raf Simons en dat ook in de winkel hangt, vindt ze leuker. „Heel sportief. Wel veel van hetzelfde.”

In de winkel staat ze al vijf jaar niet meer. Ze heeft het altijd heel graag gedaan, zegt ze: als iemand binnenkwam, wist ze bijna altijd direct wat die zou gaan kopen, ook al wilde ze dan eerst nog even alles passen wat in de winkel hing. „Het is een soort happening. En een klant heeft daar recht op, want ze geeft veel geld uit. Ik had er alleen het geduld niet meer voor.” Wat ze wel tot het einde met plezier heeft gedaan: het ophangen van nieuwe stukken. „Wat moet naast wat, hoe komt het het beste uit? Helemaal alleen in de winkel, met de deur op slot. Dat heb ik altijd het leukst gevonden.”

    • Milou van Rossum