Vragen bij het varken van Koons

Grunberg in het Stedelijk #12

De hele maand mei ‘woont’ en werkt Arnon Grunberg in het Stedelijk Museum Amsterdam, met een groep kunstenaars. Hij schrijft daar dagelijks over.

Beeldbewerking Studio NRC

De Blikopeners zijn jongeren tot en met 19 die op school zitten en voor het Stedelijk Museum werken. Doel is onder andere jongeren naar het museum te trekken; net als de literatuur, de krant en de samenleving dreigt ook het museum te vergrijzen.

Anne is de coördinator van de Blikopeners, ze studeerde Nederlands en specialiseerde zich in de analyse van hip-hop- en rapteksten. Ze heeft de uitstraling van de coach van een handbalteam: kordaat en toch vol mededogen.

Deze zaterdag – Blikopeners komen zaterdag en donderdag bij elkaar – zitten we in de kantine.

Sem, 16 jaar, vertelt: „Ik zit op het Gerrit van der Veen-college. Eerst was er een zogenaamde grote dag, daar komen alle potentiële Blikopeners bij elkaar en daarna een persoonlijk sollicitatiegesprek. Daar vroegen ze: ‘Hoe ziet je kamer eruit?’”

Mees zit op het Metis Montessori Lyceum, hij speelt gitaar en wil naar het conservatorium.

We gaan een spelletje doen waarbij we moeten reageren op stellingen als: zou je liever in een tekening van Jeff Koons leven of in de jaren tachtig?

Ik antwoord: „Ik heb in de jaren tachtig geleefd, het viel mee. Maar wat doen de Blikopeners precies?’

Ik word gekoppeld aan Manal, een moslima die op het Vierde Gymnasium zit. Ze vertelt dat Blikopeners in de permanente collectie bezoekers aanspreken om hun museumervaring te verdiepen. Als hulpmiddel hebben Blikopeners kaartjes bij zich waarop bijvoorbeeld staat: „Wat is uw favoriete kunstwerk?”

Manal doet het voor. Ze spreekt een Amerikaans echtpaar aan dat voor een schilderij van kunstenaarscollectief General Idea staat. „Dit lijkt op Mondriaan,” zegt Manal, „maar het is tegen Mondriaan. Deze kleurencombinatie, dat zou Mondriaan nooit doen.”

Het echtpaar lijkt blij verrast te zijn aangesproken.

Ik spreek een jongeman aan die voor het beeld Ushering in Banality van Koons staat. „Wat denkt u hiervan?” vraag ik.

De man staat alsof hij nodig moet plassen. „Die twee engelen duwen dat varken,” zegt hij, „daarachter staat nog een man die helpt.”

Dan wijst hij op een van de engelen en zegt: „Ik denk dat het zijn idee was.”

De man ontroert me en allebei weten we niet hoe we het gesprek moeten beëindigen.

Die middag als ik achter mijn bureau in het museum zit komen twee pubers op me af.

„Is dit iets?” vragen ze, „of is hier gewoon iemand aan het werk?”

In de stijl van de Blikopeners antwoord ik: „Wat betekent het voor jullie?”

(Wordt vervolgd)