Column

Over Vincent

Met mijn neefjes ging ik onlangs naar het Van Gogh. Ze hadden de film Loving Vincent gezien en hupsten als fanboys door de gangen. Ik sjokte er wat achteraan, bewonderde de doeken en dacht aan de geweldige brieven die Van Gogh aan vrienden en familie stuurde, waarin hij dan dingen zei als „laat men maar lullen, het doek is bang voor de schilder en niet andersom”. Voor schrijven had hij een haast nog groter talent dan voor schilderen.

Wandelend langs al die schilderijen bekroop me de vraag waarom hij eigenlijk nooit schrijver was geworden, zoals zijn grote held Émile Zola. Misschien omdat hij het al kon. Ik keek naar de talloze schilderijen en werd een beetje somber.

Arme man. Zo weinig erkenning bij leven. Ik vraag me af hoe dat moet hebben gevoeld. Alsof je verf kwastte op de wanden van een bodemloze put.

„Wat ben je stil”, zegt mijn oudste neefje (12).

„Ik vind het zo jammer dat hij nooit de lof heeft gekregen die hij verdiende. Emily Dickinson, die Amerikaanse dichteres, (Ik wéét wie Emily Dickinson is, zei mijn neefje vermoeid, omdat ik haar al veel te vaak in zijn nabijheid aanhaal) zei altijd dat haar gedichten een brief waren aan een wereld die nooit terugschreef. Volgens mij voelde schilderen voor Van Gogh soms net zo.”

Daar dacht mijn neefje even over na. Hij tuitte zijn lippen en zoog zijn wangen een beetje naar binnen, waardoor het leek alsof de gedachte een zuurtje was dat zachtjes rondwentelde in zijn mond.

‘Eigenlijk is het nog veel verdrietiger”, zei hij na een tijdje. „Want nu de wereld eindelijk Van Goghs schilderijen waardeert en hem nog talloze dingen erover wil vragen is hij er niet meer. Eerst waren zijn doeken een soort brieven die niemand las, nu willen we van alles aan hem vragen, tegen hem zeggen, en is hij er niet meer om te reageren.”

Ja. Tragisch eenrichtingsverkeer. Ik liep langs al die brieven van olieverf. Hele panelen waarmee hij stilte uitwiste, waarmee hij naar buiten bracht wat er vanbinnen broeide. Hij deed dat zo knap dat al meer dan honderd jaar lang mensen van over de hele wereld naar Nederland komen om zijn werk te bekijken. Om te ervaren hoe hij momenten in verf ving en ze zo even goed bewaard bleven als een teer insect in barnsteen, de kleinste vleugelader nog zichtbaar.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.