Amy was verlegen

In 1968 was Amy van der Ende 12. Voor haar vader waren de provo’s uit de krant langharig, werkschuw tuig. Aan haar oudere broer en zus zag Amy dat de wereld veranderde.

Foto privébezit

Praktijkondersteuner Amy van der Ende (12, links) werd najaar 1968 samen met vriendin Wijnie van Buuren (12) gefotografeerd op de Kerkhoekstraat in Brielle nabij de openbare mavo.

„Het was de dag van de schoolfoto. Van de fotograaf mocht je ook met een vriendinnetje op de foto. Wijnie vroeg mij. Wij kenden elkaar van de lagere school. Het was ons eerste jaar op de mulo, of zoals het vanwege de Mammoetwet heette, de openbare mavo. Ik kon goed leren, maar was extreem verlegen. Ik had HBS-advies, de nieuwe namen havo of vwo gebruikten wij niet. Mijn ouders stimuleerden dat ik ging. Maar ik durfde niet, was verlegen en had verhalen gehoord over een vervelende hoofdonderwijzer op de HBS. Mijn ouders waren tuinders, vader oorspronkelijk uit het Westland. Hij had in 1949 voor veel geld een bedrijf in Oostvoorne gekocht, van moeders familie. Dat betekende verhuizen van de fijne lichte grond in Westland naar zware klei. Oogsten in Oostvoorne werd lastiger. Thuis was het hard werken, nooit klagen, hoewel het financieel krap was. Als kind kreeg je dat mee. Zo rooide mijn vader in ’66 onze weelderige appelboomgaard. Toen ik vroeg waarom, antwoordde hij dat Golden Delicious meer kostten dan ze opbrachten. Vervolgens verbouwde hij daar spinazie. Ouder worden betekende harder meewerken. Er waren altijd klusjes. De ontwikkelingen in de jaren zestig kreeg ik mee via mijn oudere zus en broer. Mijn zus had een platenspeler met twee singletjes: Roy Orbison en The Beatles. Die laatste draaide ik vaak: Yesterday. Mijn broer botste soms met mijn vader: over het uitvijlen van zijn brommer-carburateur bijvoorbeeld. Tv keken we bij de buren. En je las wel de krant. Mijn vaders oordeel was hard: langharig, werkschuw tuig noemde hij de provo’s. Ik herinner mij 1968 als het jaar van nieuwe dingen: schoolvakken wiskunde en Engels, mijn eerste zakgeld en dat je zomaar in de schoolpauze een frietje kon halen. Ik wist wel van maatschappelijke ontwikkelingen, maar die waren elders, zeker niet dichtbij.”

    • Arthur van den Boogaard