Stilletjes wordt Jeruzalem almaar minder Palestijns

Verplaatsing ambassade

De Amerikaanse ambassade bevestigt Israël in zijn ambities met de stad.

Voorbijgangers bij het Amerikaanse consulaat in Jeruzalem, dat vanaf maandag de ambassade huisvest. Foto Thomas Coex/AFP

Met de symbolische verplaatsing van de Amerikaanse ambassade van Tel Aviv naar Jeruzalem, die deze maandag ten uitvoer wordt gebracht, zei president Donald Trump dat hij „niets meer of minder dan de realiteit” erkende. Hiermee zat hij niet zo ver van de waarheid: Israël doet er al jaren alles aan om de status van Jeruzalem als de ‘enige en ondeelbare hoofdstad van Israël’ in de praktijk te brengen. Dat ook de Palestijnen de stad als hoofdstad zien, doet er steeds minder toe.

Burgemeester Nir Barkat spiegelt de wereld graag voor dat Jeruzalem een harmonieus geheel is. Op het eerste gezicht is dat ook zo. In de Oude Stad wandelen toeristen met keppeltjes, hoofddoeken of kruisjes langs de souvenirwinkels waar Palestijnen T-shirts verkopen met het opschrift I love Israel. De straatnaamborden zijn in het Hebreeuws, Arabisch en Engels, net als de omgeroepen haltes in de sneltram. Langs de weg staan deze week borden met de tekst ‘Ramadan karim aan onze islamitische burgers en bezoekers’.

Studio NRC

Zowel Israëliërs als Palestijnen claimen Jeruzalem als hoofdstad. Jeruzalem werd na de Zesdaagse Oorlog in 1967 ingenomen en in 1980 geannexeerd door Israël. Tot 1967 stond het oostelijke deel van de stad, inclusief de Oude Stad met alle heiligdommen, negentien jaar onder Jordaans bestuur. Israël viert de bezetting van Oost-Jeruzalem jaarlijks als de ‘hereniging’ van de stad.

Sluipenderwijs wordt de stad steeds Israëlischer en steeds minder Palestijns. Zo keurde het Israëlische kabinet zondag het miljoenenbudget goed voor een kabelbaan naar de Oude Stad. De eindhalte is een archeologisch centrum. Deze toeristische attractie heeft echter een politieke lading: de wijk waar de kabelbaan overheen gaat, is Palestijns, en de organisatie die een bouwvergunning voor het centrum kreeg, is de Israëlische kolonistenorganisatie Elad.

Israël legt steevast de nadruk op de Joodse geschiedenis van de stad, terwijl er steeds minder plaats is voor het islamitische en het christelijke narratief. Premier Netanyahu formuleerde onomwonden: „Al meer dan drieduizend jaar is het de hoofdstad van ons volk, en alleen van ons volk.” Palestijnen – 37 procent van de stad – krijgen geen vergunning voor bouw of uitbreiding van woningen. Geregeld worden hun huizen gesloopt.

Hoewel het ramadan-bord hen in het Arabisch ‘burgers’ noemt, heeft het merendeel van de Palestijnse inwoners niet de Israëlische nationaliteit, maar een permanente verblijfsstatus. Als ze niet kunnen bewijzen dat Jeruzalem hun ‘levenscentrum’ is, kunnen ze de stad uit worden gezet. Het overkwam al bijna vijftienduizend mensen. „Ik moet elke keer met facturen bewijzen dat ik hier belastingen, water en licht betaal”, zegt Nabil Mreibé, die 72 jaar geleden in Jeruzalem werd geboren. Een eerder dit jaar uitgelekt EU-rapport bestempelde dit beleid als ‘stille deportatie’.

Voor zijn belastinggeld krijgt Mreibé naar eigen zeggen weinig terug. „Kijk maar naar de gaten in de weg hier”, wijst hij naar de kapotte tegels voor zijn souvenirwinkeltje. Wie van het Arabische gedeelte van de stad de denkbeeldige bestandslijn van vóór 1967 oversteekt, ziet meteen het verschil: van een vuile wijk met ongelijke stoepen en slecht onderhouden wegen stap je West-Europa binnen, met glanzende winkelstraten vol westerse producten.

Hun onzekere verblijfsstatus leidt er ook toe dat Palestijnse inwoners minder geneigd zijn te protesteren tegen hun leefomstandigheden. „Ik wil geen problemen”, is de standaardreactie. Hun angst is gegrond – er worden geregeld tieners in Oost-Jeruzalem gearresteerd, en onlangs werd het criterium ‘verbreking van loyaliteit aan Israël’ toegevoegd aan de lijst met redenen om Palestijnen hun verblijfsvergunning af te nemen. Ook sluit Israël Palestijnse politieke en culturele organisaties. Sinds de bouw van de muur die de stad van de Westelijke Jordaanoever afsnijdt, is Oost-Jeruzalem voor Palestijnen niet meer het economische centrum dat het ooit was.

Israëlische bulldozers reconstrueren een beschadigd gedeelte van de muur die de stad van de Westelijke Jordaanoever afsnijdt. Op de achtergrond ligt het Shu’afat-vluchtelingenkamp. Foto Atef Safadi/EPA

Traangaswolken

Door de bouw van de muur kwamen bepaalde Palestijnse wijken los van Jeruzalem te liggen. Bewoners van het Shu’afat-vluchtelingenkamp moeten een checkpoint door om de binnenstad in te komen. „Mijn vrouw is in Jeruzalem geboren, ik in Jenin op de Westelijke Jordaanoever”, zegt Wahied Abo Al-Rob (36) terwijl hij de plankjes in zijn snoep- en koffiewinkeltje afstoft. „Zij werkt in Jeruzalem en de kinderen zitten er op school, maar ik mag hier officieel niet eens zijn.” Zijn tienjarige zoontje Ahmad vertelt over de traangaswolken waar hij vaak in terechtkomt op weg van school, maar ook over de vele drugsverslaafden op straat. „De Israëlische politie treedt hier vooral op om ons te controleren, niet om criminaliteit tegen te gaan”, zegt zijn vader.

Recente wetsvoorstellen gaan nog een stapje verder door het Shu’afat-kamp en enkele andere wijken ook administratief van de stad te scheiden. Voor de bewoners zou afscheiding een ramp zijn, zeker als ze dan hun identiteitsbewijzen zouden verliezen; bijna de helft van de inwoners van Oost-Jeruzalem werkt voor Israëlische werkgevers. De gemeente probeert actief de Joodse meerderheid in de stad te behouden. Terwijl Palestijnse wijken worden geïsoleerd, versterkt Jeruzalem de band met de grote nederzettingenblokken rondom de stad. Voor Israëliërs zijn nederzettingen als Ma’ale Adumim, Gilo en Pisgat Ze’ev ‘wijken van Jeruzalem’. De tramlijn loopt al door naar Pisgat Ze’ev en wordt binnenkort doorgetrokken naar andere nederzettingen.

Toch denken de Palestijnen in de stad niet aan verhuizen. „Amerikaanse ambassade of niet, wij blijven hier”, zegt Mreibé. „Jeruzalem is van de burgemeester, maar ook van ons”, zegt zijn wijkgenoot Bassem Said (72). „Ons is niets gevraagd. Hij viert zijn feestje maar alleen.”

Israëliërs houden Amerikaanse en Israëlische vlaggen vast, vlakbij de Oude Stad. Foto Baz Ratner/Reuters