Rebelse Godard maakt nu museumstukken

Cannes In mei 1968 werd het Filmfestival van Cannes stilgelegd. De aanstichter van toen, Jean-Luc Godard, zucht nu: „Dat is zo lang geleden.”

Jean-Luc Godard (tweede van links, met bril) met andere regisseurs tijdens een persconferentie op het Filmfestival van Cannes, in mei 1968. Links van Godard zit Claude Lelouch, rechts van hem zitten François Truffaut, Louis Malle en Roman Polanski. Foto Getty/Gilbert Tourte

Hij ontbrak vrijdag op zijn rode loper in Cannes, de filmlegende. Maar Jean-Luc Godard (87) was zaterdag onverwachts wel op de persconferentie om zijn jongste beeldcollage Le livre d’image toe te lichten. Via de iPhone: journalisten mochten in de rij aansluiten om een vraag te stellen.

Heel dichtbij, toch ver weg: een orakel. En wat een spreuken: „De meeste filmmakers filmen wat gebeurt, ik wil filmen wat niet gebeurt.” „Mensen hebben de moed om te leven, maar niet om zich hun leven in te beelden. Ik wel. Ik ben ingestapt in de trein der geschiedenis.”

Vijftig jaar geleden trokken jeugdige babyboomers vol idealen ten strijde tegen het oude establishment. Wat is er over van hun idealen? Hoe vormden zij de kunst en cultuur? En waarom zit het revolutionair elan anno 2018 vooral op rechts? Deze maand besteedt NRC aandacht aan revolutiejaar 1968.

Lees de verhalen via nrc.nl/1968.

Vijftig jaar nadat Jean-Luc Godard en zijn vrienden het 21ste filmfestival van Cannes lamlegden uit solidariteit met Parijse studenten en stakende arbeiders, is hij de cinematografische totempaal van Frankrijk. „Morgen lunch ik met Godard”, vertrouwde Cannes-directeur Thierry Frémaux me eind februari glunderend toe in Amsterdam. Hij had er zichtbaar zin in. Want hoe harder de oude mopperpot Godard zich tegen het in smoking gehulde filmestablishment afzet, hoe warmer dat hem omhelst. Beledigend is dat. En toch fijn.

Cannes blijft Godards ondoorgrondelijke beeldencollages vertonen. Een hele zit, hoor je na afloop de filmpers zuchten, waarna men gloedvolle recensies schrijft. Zo ook over Le livre d’image, waarin Godard iets over het Midden-Oosten en oriëntalisme beweert en daarbij een beeldarchief overhoop haalt van klassieke filmflarden, porno en oorlog – Godards montagefilms zijn erg gewelddadig, want hij is tegen geweld. Het beeld schokt en schudt in Le livre d’image, er zijn slogans en tekstflarden die Godard soms via twee geluidskanalen tegelijk uitspreekt. Een filmmaker die al decennia in gesprek is met zichzelf.

Godards huidige oeuvre komt beter tot zijn recht in een museum dan in een bioscoop. Dat was niet altijd zo: hij werd een legende door À bout de souffle (1960), een pastiche op een gangsterfilm die met elke denkbare filmwet spotte. Het was de aardbeving die de nouvelle vague ontketende. Een bevrijding. Waarna Godard een reeks baanbrekende films maakte: Le mépris, Alphaville, Pierrot le fou.

Van de barricades naar Cannes

Maar in 1968 was Godard in maoïstisch vaarwater beland. Medio mei toog hij van de barricades van Parijs naar Cannes, waar het festival gewoon op 10 mei werd geopend, terwijl in Parijs studenten en politie veldslagen uitvochten en twee miljoen Franse arbeiders in staking gingen. Tot Godard en zijn vrienden – François Truffaut, Louis Malle, Alain Resnais, Claude Lelouche – arriveerden om de draaimolen van rode loper, diner en strandplezier te verstoren. Bijzaal Jean Cocteau van het Palais des Festivals werd hun revolutionaire hoofdkwartier, ze eisten daar dat het filmfestival per direct gestaakt werd.

Op 18 mei marcheerden de rebellen de Grote Zaal binnen en bezetten het podium om de vertoning van de film Peppermint Frappé te stoppen, tot woede van de zaal. „Wij tonen onze solidariteit met de studenten- en arbeidersbeweging en jullie willen praten over dolly shots en close-ups, klootzakken”, riep Godard. Er volgde noodoverleg, bij een poging de film alsnog te vertonen hingen de rebellen „als druiven” (Roman Polanski) in de gordijnen om die gesloten te houden. Er volgde een massaal handgemeen, een dag later werd Cannes definitief gestaakt.

Een kleurrijke episode die vreemd genoeg ontbreekt in Le Redoutable, de malicieuze biopic over Godard anno 1968 die Cannes vorig jaar óók in zijn filmcompetitie had. Gebaseerd op de memoires van zijn ex Anne Wiazemsky, is Godard in die film een arrogante, jaloerse, narcistische, hypocriete dogmaticus wiens verering van geweld, jeugd en dynamiek een diepe angst om oud en irrelevant te worden maskeert. Die spot is vermengd met spijt over een begenadigd filmmaker die na 1968 een karikatuur werd omdat hij zichzelf zo serieus nam. Want Godard verklaarde de film én zichzelf toen dood. Zijn films zouden daarna nooit meer dezelfde impact hebben.

Bijdrage aan de filmgeschiedenis

Misschien was de als kluchtige ervaren bezetting van Cannes 1968 wel Godards laatste echt monumentale bijdrage aan de filmgeschiedenis. Het veranderde Cannes grondig. Was het festival een soort Olympische Spelen waar landen hun beste films instuurden, vanaf 1969 schudde het door de geradicaliseerde Franse vakbond van regisseurs georganiseerde tegenfestival Quinzaine des Réalisateurs, dat principieel geen prijzen uitdeelde, Cannes wakker. Het ging rebelse films selecteren (Easy Rider, MASH, jeugdrevoltefilm If… won in 1969 de Gouden Palm). Inmiddels is de Quinzaine (die destijds talenten als Martin Scorsese, Spike Lee, Michael Haneke en Hou Hsiao-hsien een podium gaf) vast onderdeel van het feestgedruis.

Jean-Luc Godard liet zich zaterdag niet verleiden tot nostalgische bespiegelingen over 1968. „Dat is zo lang geleden”, zuchtte hij. „Ik denk liever aan de toekomst. Honderdduizend mensen zien mijn films nu nog. Hoe is dat over honderd jaar?” Je zou de 87-jarige gerust willen stellen. Hij zit in de trein der geschiedenis. Eerste klas.