Column

In het moederdagbos

Het wereldwijd meest gedeelde filmpje van de afgelopen dagen was niet dat van Waylon die in Lissabon zijn nek uitstak. Het meest gedeelde filmpje kwam uit Hilvarenbeek. Een Frans echtpaar met kinderen was in safaripark Beekse Bergen uit de auto gestapt en werd bestormd door cheeta’s. Ze wisten het vege lijf te redden.

Alles werd vastgelegd door een paar Nederlanders die in hun auto bleven zitten, geen poot uitstaken om de Fransen te helpen (even toeteren of zo) en alleen maar reality-tv-commentaar uitsloegen: „Dit méén je niet”, „doe normaal man” (tegen de cheeta’s) en „Oh my God!”

Maar goed, het gaat mij om de verhouding tussen mens en natuur. Mijn mening daarover heb ik al in 1979 vastgesteld toen ik comedian Richard Pryor het verschil zag uitleggen tussen mensen die thuis zijn in de natuur en zij die dat niet zijn. Voor hem was het overigens een verschil tussen zwarte en witte mensen. De zwarte ging door de jungle alsof hij over de stoep liep. Aan het eind maakt hij een luchtig huppeltje: „Snake.” De witte paradeerde stijf door de jungle, keek met open mond op ooghoogte om zich heen, tot hij in zijn kuiten werd gebeten door een slang.

Met die les in het achterhoofd fietste ik dit weekend door het Drentse landschap. De slangen waren rupsen, maar ik hield ze in het oog. We passeerden een soort landingsbaan: tien meter breed en kilometers lang. Een bord legde uit dat ik op een verbindingsstrook stond tussen twee leefgebieden van de zandhagedis. „Landelijk gaat het best goed met de zandhagedis”, stond er, „maar in Drenthe zijn de populaties erg kwetsbaar.”

Ik had ook naar de moederdagwandeling kunnen gaan die Staatsbosbeheer organiseerde „met aandacht voor alles wat met het moederschap te maken heeft in de natuur. Hoe zorgt een boom voor nakomelingen?” In plaats daarvan fietste ik door het Sleenerzand langs reuzen met op hun basten een doodvonnis: een zuurstokroze stip. Staatsbosbeheer „vermarkt” de biomassaproducten van de bossen, zoals de bosbeheerder op zijn website schrijft. Even verderop lagen akkers oranjebruin van het landbouwgif Roundup, gespoten met toestemming van de Europese Unie. Mijn Drentse fietsgenoot vertelt dat begin deze maand de berm nog vol stond met vlasleeuwenbekjes.

Als ik weer in de stad ben, denk ik aan de twee gezichten die wij, mensen, op de natuur plakken. De ene soort natuur wordt vermenselijkt en doodgeknuffeld. De andere is er om te vermarkten of verwoesten. Is het gek dat die Fransen niet wisten met welk gezicht van de natuur ze te maken hadden?

Jutta Chorus (j.chorus@nrc.nl) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.