Opinie

De onderkoning hoort niet in achterkamer te worden benoemd

Raad van State

Omgekeerd evenredig met de eerbiedwaardige uitstraling van de Raad van State is het traditionele gedoe rondom de benoeming van de vicepresident van dit college. Met de opvolging van de dit najaar vertrekkende Piet Hein Donner lijkt het niet anders te worden. Zoals dit ook eind 2011 het geval was bij Donners eigen benoeming of in 1980 toen het kabinet Van Agt-Wiegel zijn minister van Defensie Willem Scholten als vicepresident van de Raad van State aanstelde.

Waar het in de kern om gaat is de vraag of de benoemingsprocedure nog wel van deze tijd is. Dat vond een meerderheid van de Tweede Kamer in 2011 in elk geval van niet. Toen werd door middel van een motie van het Kamerlid Jeroen Recourt (PvdA) gesignaleerd dat de procedure „niet transparant” was en werd gesteld dat in de toekomst de Staten-Generaal een plaats in het benoemingsproces zouden moeten krijgen. Voor de goede orde: de partijen die destijds voor de motie stemden, beschikken na de verkiezingen van vorig jaar nog steeds over een meerderheid.

De discussie zeven jaar geleden ontstond als gevolg van aanhoudende berichten dat zittend minister Donner reeds in een vroeg stadium was voorbestemd om Herman Tjeenk Willink op te volgen als vicepresident. Kon hij wel in die positie functioneren, was toen de vraag. Hij zou dan immers over wetsontwerpen van zijn ‘eigen’ kabinet moeten oordelen. Dezelfde kritiek speelde in 1980 bij de benoeming van Willem Scholten.

Toen trokken leden van de Raad van State aan de bel en dat doen zij nu weer. Zij hebben oud-minister Jeroen Dijsselbloem (Financiën, PvdA) gevraagd te solliciteren op de functie die onlangs is opengesteld. Hij zou dan een tegenwicht vormen tegen oud-minister en huidig senator Thom de Graaf (D66) wiens naam al maanden rondzingt als mogelijke nieuwe vicepresident. Het gaat om kritiek op de procedure, niet om de persoon zo wordt gezegd. Maar het zou niet de eerste keer zijn dat procedurele argumenten worden gebruikt om inhoudelijk te kunnen sturen.

Lees ook: De Haagse banencarrousel draait en het Binnenhof bepaalt, of toch niet?

Het neemt allemaal niet weg dat de wijze van benoemen van een vicepresident van de Raad van State, ook wel aangeduid als onderkoning, (de koning is in naam voorzitter) dringend aan verandering toe is. Het kabinet heeft indertijd de motie van de Kamer die hiertoe opriep naast zich neergelegd. Een rol van de Tweede Kamer bij de benoeming bijvoorbeeld in de vorm van een voordrachtrecht zou „niet goed passen in de verhoudingen en procedures waarvoor we in Nederland tot nu toe hebben gekozen”, aldus de weinig overtuigende ‘het-is-nu-eenmaal-zo-redenering’ van toenmalig minister Liesbeth Spies (Binnenlandse Zaken, CDA).

Er zijn voldoende argumenten te bedenken om de benoeming van de vicepresident van de Raad van State niet meer het alleenrecht van het kabinet te laten zijn. Al was het maar omdat de Raad van State ook door de Eerste en Tweede Kamer om advies gevraagd kan worden. Iets dat in toenemende mate gebeurt. Maar ook omdat openlijk gewisselde gedachten van buiten – zeker bij een benoeming voor het leven – zeer verfrissend kunnen zijn.

De achterkamer is bij veel Haagse politici nog altijd de meest favoriete ruimte. Politiek kan ook niet volledig zonder achterkamer. Maar bij de benoeming van de vicepresident van de Raad van State is er geen enkele reden voor dichte deuren. In naam van de democratie, doe open de poort.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.