Column

Moederdag 1980

Ik ging naar de Fredericusschool in de Emmastraat in Velp. In de zesde klas kregen we er les van een non die zuster Virgini heette. Vanwege haar sluier noemden haar ‘de pinguïn’. Nadat we het dagboek van Anne Frank klassikaal hadden behandeld dwong ze ons om zelf een dagboek bij te houden. We moesten daar ook uit voorlezen.

Ik vond het terug en las dat ik mijn moeder in 1980 een plant gaf met Moederdag. Ik kocht de plant bij ‘Voordeelmarkt Ebbers’ (nu een Jumbo) voor 2 gulden. Ze was er blij mee.

’s Middags gingen we wandelen, een idee van mijn vader, die dat vooral zelf leuk vond. We reden in de groene Mazda 323 waarin het altijd naar benzine stonk naar de Posbank waar toen nog een leuk restaurant stond. Daar dronken mijn ouders koffie.

Ik noteerde: „We mochten weer geen Cola.”

Daarna werd er dus gewandeld. Mijn vader dacht de hele tijd dat hij wilde zwijnen hoorde, maar dat waren altijd andere wandelaars aan wie hij dan in het voorbijgaan vroeg of zij wel wilde zwijnen hadden gezien. Dat was nooit zo.

Die dag kwamen we een hert tegen. Het hert stond midden op het pad en bleef staan, wat vreemd is want herten rennen altijd weg. Maar dat hert niet. Lang verhaal kort: we durfden het hert niet te passeren en draaiden om. We dronken weer wat in dat restaurant. Ik noteerde dat ik het ‘een afgang’ vond.

„En toen mochten we opeens wel Cola.” Toen we thuis waren ging mijn vader zijn moeder bellen dat deed hij altijd op zondag, wij moesten daarna om beurten aan de telefoon komen en ‘hallo oma’ zeggen, ze zei dan soms iets terug.

„Ik vertelde over dat hert, maar dat verhaal kende ze al.”

We aten die avond gekookte aardappels, spinazie en karbonade. Mijn moeder ging drie keer naar buiten om onder het afdakje een sigaret te roken. Niemand rookte toen buiten, ze was haar tijd ver vooruit.

Ik noteerde: „Ik zat Studio Sport te kijken, ze kwam binnen en zette hem zomaar op een andere zender. Ik heb geen ruzie gemaakt want het was Moederdag.”

Een week later schreef ik dat we weer waren gaan wandelen op de Posbank dat we toen geen hert tegenkwamen, dat ik mijn zus had geslagen met een tak en dat mijn moeder weer binnen rookte.

Een paar dagen daarna hield ik op met dat dagboek.

Op de laatste pagina stond het commentaar van zuster Virgini.

„Een interessant dagboek. Heel leuk, een 8.” Ik heb in die tijd nog minder meegemaakt dan ik al dacht, maar blijkbaar was het voor Velpse begrippen een ruime voldoende.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.