Column

Praten tegen spoken

Mooi weer, de gekkies komen naar buiten. Roepend tegen niemand lopen ze langs, op de stoep of midden op straat, drinkend of niksend in het park, en verrassend vaak zijn ze boos. Hoe meer zonnestralen, hoe meer verwarde geest in het openbaar: ik kan me vergissen, maar volgens mij gaat die wet aardig op. Deskundigen wijzen daarnaast op de bezuinigingen in de geestelijke gezondheidszorg, die maakt dat je dezer dagen vaker dan gemiddeld opkijkt van de zoveelste gestoorde. Geen geld, ga jij maar de straat op: dat idee. Zo ook die kerel op de Overtoom. Ik zag meteen dat-ie gek was. Of liever, ik hoorde het, want normale mensen maken hun ongenoegen niet zo luidkeels kenbaar als deze man, gebogen op de stoep langs het fietspad, pratend tegen spoken. Toch?

Hoewel. Daar reed een jonge blonde vrouw op haar fiets de verwarde tegemoet. Ze peddelde eenzaam in de zon en toch was ze druk in gesprek, ze gesticuleerde er zelfs bij. Belangrijker zaken dan wat ze haar onzichtbare vriend of vriendin wilde duidelijk maken waren ondenkbaar.

Toen ze de gek met zijn ruzie tegen niemand in het bijzonder zag, stopte ze met praten. Een dwaas op de radar. Beetje kromme gestalte, pratend tegen de warme lentewind, dat kon niet missen. Op de drukke doorgaande weg die de Overtoom al zo lang is, nam de vrouw de boze psychoot, of wat hij ook was, vliegensvlug op. Ze keek en registreerde, rubriceerde. Daar had je weer zo’n mafkees, op weg naar, of afkomstig van de dagopvang, dacht ze misschien.

Hij deed geen vlieg kwaad maar zo’n type even opnemen en in een bepaalde categorie onderbrengen gaat vanzelf. Is misschien zelfs prettig.

De vrouw leek me ontwikkeld, best mogelijk dat ze op de hoogte was van de ontwikkelingen. Dat ze weet dat dakloosheid in Amsterdam nu meer wordt beschouwd als een huisvestingsprobleem en minder als een sociaal-medisch probleem. Dat je daardoor vaker types zoals deze man ziet lopen: zelfstandig wonend maar niet aangepast. Ik achtte de jonge vrouw zelfs in staat hem te zien als een voortvloeisel van de crisisjaren, toen het aantal sloebers in de openbare ruimte toenam.

Hoe dan ook, een sloeber was hij. Zijn broek wapperde versleten om zijn benen, zijn haar woei ongekamd voor zijn donkere boze ogen. Stapelgek dus.

Het oogcontact, voor zover je daarvan kon spreken, was kort. De jonge vrouw met de blonde paardenstaart keek hem nog eventjes over haar schaars bedekte schouder na en fietste toen weer door, richting Leidseplein, helemaal opgaand in haar conversatie. Zij was niet gek want zij had een oortje in. Ze belde natuurlijk, zoals zoveel jonge stedelingen, compleet afwezig want hardop in gesprek met hun spoken. Vaak vrolijk, soms verontwaardigd, in het segment van de openbare bellers maak je alles mee.

Het beeld van Amsterdam anno 2018: praat je hardop met een oortje in, ben je normaal. Zonder oortje ben je gek.

Auke Kok is schrijver en journalist.