Column

Zindelijk

Omdat er in de omgeving van mijn oudste dochter (bijna 3) steeds meer leeftijdsgenootjes zonder Pampers opdoken, besloten we over te gaan op zindelijkheidstraining. Ervaringsdeskundigen hadden ons geadviseerd om haar bij mooi weer in haar blootje in de tuin te laten lopen en om daar dan een potje neer te zetten waarop ze haar behoefte kon doen. We moesten haar terloops op het potje attenderen. Nou, dat deden we, maar ze plaste toch liever tussen de planten of op het stuk overtollig tapijt in het schuurtje. Het systeem sloeg pas aan toen ik er een beloning aan koppelde. Een ijsje voor een gevulde pot. Eigenlijk werkte het systeem te goed: ze zat de hele dag ijsjes te verdienen en wilde ook buiten de veilige omgeving van het eigen erf geen kleren meer aan.

Zat ik een boek te lezen, stond ze weer voor me met een gevulde pot. Ik deed dan overdreven enthousiast, waarna we samen naar het toilet wandelden om het door te spoelen en daarna direct naar de vriezer voor de beloning.

Woensdag was het weer de dag dat ik alleen voor beide kinderen zorg.

We zaten in de tuin.

De deurbel ging.

Er stond een man in een fluoriserend hesje voor de deur die met me wilde praten over de afvalscheiding, een speerpunt in deze gemeente. Hij was een ‘afvalconsulent op vrijwillige basis’ die graag uitlegde waarom hij in zijn vrije tijd met een enquête langs de deuren ging. Hij vond natuur en milieu iets fantastisch en wilde de aarde graag nog fantastischer doorgeven aan volgende generaties. Had ik kleintjes? Hielden die ook zo van vogels?

Er waren dorpelingen die afvalscheiding vreselijk vonden, maar hij vond een biobak een geweldige uitvinding. Aan de geur kon je wennen, zei hij, en als je er voor de lol goed in keek, zag je leven!

„Zeker bij warm weer krioelt het er van de organismes.”

Kwamen wij er een beetje uit, qua afvalscheiden? Deden we het plastic in de bak met het oranje deksel? Snapten we het systeem? Mocht hij daar wat vragen over stellen?

Geschreeuw uit de achtertuin.

Ik ernaartoe.

De jongste dochter (1) had zonnebrandcrème in haar oogjes gewreven.

Toen ik terug kwam stond mijn oudste dochter wijdbeens met de vrijwilliger te praten. Potje met een lichtbruin keuteltje in de handen.

„Kijk! Kijk dan!”

Het gezicht dat voor de lol in biobakken keek, was duidelijk verrast.

„Aan die geur wen je”, zei ik, de grapjas. „Als je maar lang genoeg kijkt zie je vanzelf leven.”

Ik beloonde haar met een ijsje en beloofde hem dat we het stokje in de goede bak zouden doen.

Hij schreef op dat we het snapten.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.