‘Zó briljant is die nieuwe generatie vrouwelijke auteurs nu ook weer niet’

Herman Stevens las voor zijn boek Het sterke geslacht tientallen schrijfsters, romans vanaf het jaar 1900. Waarom bleven zij op afstand van De Grote Drie? Jamal Ouariachi weet waarom. Twistgesprek onder leiding van

JO: „Jonge schrijvers – zowel mannen als vrouwen – nemen allang niet meer louter De Grote Drie serieus, maar kijken ook naar vrouwelijke grootheden als Connie Palmen, Renate Dorrestein en Mensje van Keulen. Jonge vrouwelijke schrijvers krijgen toprecensies, winnen prijzen, zijn volop zichtbaar én invloedrijk in maatschappelijke debatten. De stelling is – godzijdank – achterhaald.

HS: „Integendeel. De literatuur is een verdringingsmarkt met een krimpend publiek. Dus er is steeds minder plaats aan de top en de opmars van sterke vrouwelijke auteurs roept veel weerstand op bij een bepaald type mannelijke auteur. Dat was in de jaren tachtig al zo, toen Renate Dorrestein en Tessa de Loo begonnen.”

JO: „Da’s nou frappant, Herman. Je schrijft zelf in Het sterke geslacht dat jonge vrouwelijke auteurs wel degelijk terrein winnen en serieus genomen worden! (Maar goed, in dat stuk citeer je mij ook verkeerd – uit kwade wil of domheid – dus misschien moet ik de rest ook met een korreltje zout nemen.)”

HS: „Schrijfsters die klaagden dat vrouwen nooit prijzen kregen, adviseerde je Heel Dikke Boeken te schrijven. Dat was zo geestig dat ik het wel moest noemen, Jamal. Ik ken vrouwen die dat bot spierballenvertoon vonden. De literatuur is voor mannen zeg je daarmee.”

JO: „Ga je weer! Kwade wil, dus. Het punt van mijn stuk was juist dat vrouwen minder publiceren en dus logischerwijs minder prijzen winnen en recensies krijgen dan mannen. Oplossing: meer, opvallender, ambitieuzer, extremer schrijven. Dat ‘advies’ is geen uitsluiting, zoals jij suggereert, maar een uitnodiging. Meer vrouwen in de literatuur!”

HS: „Voor Het sterke geslacht heb ik teruggelezen tot ongeveer 1900 en telkens zie je dat mannen vrouwelijke auteurs vertellen dat hun boeken dikker, dunner, altijd anders moeten. Zo is Mensje van Keulen tientallen jaren nagedragen dat er een spruitjeslucht opsteeg uit haar werk. Wanneer krijgt zij nou de P.C. Hooftprijs in plaats van dat gezeur?”

JO: „Enfin. Nu zitten twee mannen dus onder leiding van een derde man welles-nietes te spelen. Waar wil je nou heen, Herman? Wat moet er verbeteren? Wat denk je dat jij en ik én vooral de vrouwelijke auteurs om wie het hier gaat, kunnen doen voor een evenwichtigere literatuur?”

HS: „Wat we kunnen doen is plaats maken. Op de shortlist van de Librisprijs stond maar één vrouw. Het sterke geslacht laat zien dat je een heel boek over vrouwen kunt schrijven als de nieuwe mainstream in onze literatuur. Critici hebben een enorme overwaardering voor mannelijk epigonisme. Boeken die op boeken lijken, zoals Peachez lijkt op Lolita.”

JO: „Een nobel streven, al zal geen man zijn shortlistplekje à 50.000 potentiële euro’s inleveren ten gunste van een vrouw. Bovendien: zó briljant is die nieuwe generatie vrouwelijke auteurs nu ook weer niet. Velen ruilden mannelijk epigonisme in voor het nabauwen van Amerikaanse ‘essayistische’ romanschrijfsters.”

HS: „In de literatuur kun je plaats maken zonder je plaats te verliezen. Schrijf eens een mooi stuk over een schrijfster die je bewondert, Jamal, want de literatuurkritiek is op sterven na dood. De enige concurrentie die we moeten vrezen is die van slechte boeken, waarvan lezers later zeggen: het interview was beter.”

JO: „Ik strooi geregeld met aanbevelingen, in kranten, online. Maar wat bezielt toch jonge vrouwelijke critici als Bo van Houwelingen of Persis Bekkering om zo benepen en geborneerd over literatuur van júíst talentvolle vrouwen te schrijven? Daar valt niet tegenop te mansplainen…”

HS: „Lang geleden sprak Joke Hermsen in De Balie over de kritieken die ze in een schoenendoos had weggestopt. „De hel”, zei ze (naar Sartre), „dat zijn de andere vrouwen.” Misschien blijft een zure recensie van een vrouw langer hangen omdat we van vrouwen begrip en zachtheid verwachten. Waarom zouden we dat verwachten?”

JO: „Ik verwacht geen zachtheid, wel redelijkheid. Persis Bekkering besprak laatst twee romans van vrouwelijke auteurs tezamen in een klein rotstukje (op zich al respectloos), alleen maar omdat ze allebei over moederschap gingen. Haar oordeel? De vrouwelijke personages hadden ‘geen échte moeilijkheden’ – een man had het kunnen schrijven, zo denigrerend en seksistisch.”

HS: „Een vrouw die een stapelrecensie schrijft over twee vrouwen. Wat een ironie. Ik kan wel doen alsof de literatuurkritiek een apollinische distantie moet hebben. Maar de literatuur is een commercieel circus en de kritiek is het knechtje dat de piste aanveegt. Meer niet.”

JO: „Laat ik dan, om niet in mineur te eindigen, constateren dat je een fijne essaybundel hebt geschreven, Herman, met vooral oog voor vrouwelijke auteurs, maar dan gelukkig niet op zo’n zemelig-correcte Philip Huff-manier. Als uitsmijter een aanbeveling: Asymmetry, de debuutroman van Lisa Halliday. Vreemd én vertrouwd, ultrageestig, briljant gecomponeerd.”

    • Steven de Jong