Tuschinski was jarig en verloor al zijn bioscopen

Herdenking bombardement Op 14 mei 1940 werd het totale Rotterdamse bioscoopimperium van Abraham Tuschinski verwoest. Bij de herdenking van het Duitse bombardement staat de joodse filmpionier dit jaar centraal.

Tuschinski’s Grand Théâtre aan de Pompenburgsingel in Rotterdam, in de jaren twintig. Aan deze singel was ook zijn bioscoop Studio ’32 gevestigd. Foto Collectie Stadsarchief Rotterdam

De joodse filmpionier Abraham Tuschinski stierf in Auschwitz op 17 september 1942. Maar zijn ondergang begon op 14 mei 1940. Toen maakte het Duitse bombardement in één klap een eind aan zijn Rotterdamse bioscoop-imperium: het Grand Théâtre en Studio ’32 aan de Pompenburgsingel, Thalia aan de Hoogstraat en Olympia aan de Binnenweg. Alsmede zijn woning aan de Coolsingel.

Film-magnaat Abraham Tuschinski (1886-1942) staat dit jaar centraal bij de herdenking van het bombardement op Rotterdam vanwege zijn grote bijdrage aan het culturele leven van de stad – en van Nederland.

Waren bioscopen tot dan toe kermisachtige attracties, Tuschinski schiep filmpaleizen vol comfort

Op de dag van het bombardement was Tuschinksi jarig. Hij werd 54, die dinsdag na Pinksteren. ’s Ochtends ging hij, vermoedelijk per trein, naar Amsterdam voor een bespreking met zijn decorateur Piet den Besten. Ze zouden elkaar die dag voor het eerst bij de voornaam hebben genoemd. „Het ga je goed”, had Tuschinski ten afscheid gezegd.

Auto met chauffeur

Aan het begin van de middag kwam Tuschinski het bombardement ter ore. Hij charterde meteen een auto met chauffeur. Wat trof hij aan in de verwoeste stad? In haar historische roman Uit liefde, meneer Tuschinski (2017) beschrijft Tanya Commandeur de misère door de ogen van Tuschinski’s vrouw Manja: „Verbijsterd staart ze naar de plek waar Thalia zou moeten staan. In plaats daarvan ziet ze een brandende ruïne met hier en daar nog wat herkenningspunten: een stoel, een uithangbord met de film-aankondigingen: ‘Nu in dit theater’.”

Foto Collectie Stadsarchief Rotterdam

In haar boek laat Commandeur de stadsklokken stilstaan op half twee, het moment dat het bombardement aanving en Tuschinksi’s imperium in Rotterdam werd vernietigd.

Kinderen gestorven

Tuschinksi beleefde een jaar eerder ook al groot persoonlijk leed. Op 8 augustus 1939 droeg hij zijn geliefde zoon Will ten grave, 33 jaar oud. In het najaar van 1938 was Will nog naar de Verenigde Staten getrokken, waar hij al eerder, in 1929 en 1931, ervaring had opgedaan als assistent-regisseur bij Paramount.

Will zou groter worden dan zijn vader en een internationale filmcarrière tegemoet gaan, dat wist Tuschinski sr. zeker. In december 1934 liet hij vol trots Wills eerste film in première gaan, de romantische klucht Het meisje met den blauwen hoed (naar het boek van Johan Fabricius). Vier jaar later kwam Will doodziek uit Amerika terug: keelkanker. En zo verloren de Tuschinski’s ook hun laatste kind. Eerder, in 1909 en 1911, waren hun tweelingzoons Meijer en Nathan al op zeer jonge leeftijd gestorven.

1911 was ook het jaar waarin Tuschinski – zeven jaar eerder als joods ‘economisch vluchteling’ vanuit Polen naar Rotterdam geëmigreerd – zijn eerste Thalia-bioscoop stichtte aan de Coolsingel (later verhuisd naar de Hoogstraat). Binnen twaalf jaar opende hij nog vier theaters in de Maasstad, reden waarom daar binnenkort een straat naar hem wordt vernoemd. In 1933 volgde Schiedam met het Passage Theater. Maar het pronkstuk verrees in 1921 in Amsterdam: het eclectisch ingerichte Tuschinski Theater.

De bezoekers wisten niet wat ze zagen. Waren bioscopen tot dan toe obscure, kermisachtige attracties, Tuschinski schiep filmpaleizen vol luxe en comfort: brede, makkelijke stoelen, dikwijls van mahoniehout en met velours bedekt, fraaie tapijten, goudkoperen lichtkronen, een saluerende portier bij de entree en achter de kassa een elegant meisje. Niet voor niets gaven historici Arie van der Schoor en Nelleke Manneke hun Tuschinski-biografie in 1997 de titel Het grootste van het grootste.

Tuschinski, analfabeet maar ambitieus, geloofde heilig in de Amerikaanse aanpak. Hij noemde zichzelf tycoon, gaf het Tuschinski Nieuws uit waarin hij graag poseerde met beroemde filmsterren, en bracht lichtreclames in de stad. Abraham Tuschinski introduceerde kortom de filmglamour in Nederland.

Wanhopige advertenties

Tot 1929 had Tuschinski succes. Daarna kwam de beurskrach met lege zalen en financiële problemen als gevolg. De filmpionier introduceerde als tegenwicht nachtelijke gala-premières in Tuschinski en het Grand Théâtre, maar toen een journalist hem in 1932 vroeg hoe de zaken ervoor stonden, antwoordde hij: „Hoeveel menschen blijven uit de bioscoop die er anders zouden komen? Wat zegt één volle zaal?” De advertenties kregen een wanhopige klank, schrijft NRC-journalist Henk van Gelder in zijn boek Abraham Tuschinski (1996): „Iedere inwoner van Schiedam is verplicht het modernste en mooiste theater van Nederland, het Passage Theater, te bezoeken.”

Ook zijn privé-leven verkeerde in een crisis. Tuschinski kreeg een verhouding met zijn schoonzus Jet Bood, maar bleef getrouwd met Manja. Ondertussen nam ook in Nederland het openlijke antisemitisme toe. Begin jaren dertig, toen hij met zijn compagnons en zwagers Hermann Ehrlich en Hermann Gerschtanowitz een theater wilde openen aan het Haagse Spui, kreeg Tuschinski van NSB-zijde te horen dat hij „als volkschvreemd element zijn oostjoodsche driften in de Diets-Germaansche gemeenschap wilde uitleven.” En in Rotterdam waren rijke industriëlen als de Van Beuningens en De Monchy’s geregeld te gast in Tuschinski’s imperium, maar ze piekerden er niet over hem toe te laten tot hun chique roeivereniging De Maas, aldus Henk van Gelder.

Interieur van de Thalia-bioscoop op de Rotterdamse Hoogstraat, eind jaren dertig van de vorige eeuw. Foto Collectie Stadsarchief Rotterdam

Tuschinski was veerkrachtig, een taaie overlever. Met Hitler zou het zo’n vaart niet lopen, dacht hij lange tijd. Zelfs nadat hij in de zomer van 1942 met Manja op transport was gesteld naar doorgangskamp Westerbork, behield hij zijn façade van optimisme. Tegen filmcritica Ellen Waller, die hij in Westerbork ontmoette, zou Tuschinski hebben gezegd: „Als dit alles voorbij is, dan komt u weer bij mij zitten, in de loge van mijn mooie theater.”

De laatste films

Tot één dag voor de Duitse inval ging het vertier in Tuschinski’s Rotterdamse theaters onbekommerd door. Het bioscoopnieuws van het Rotterdamsch Nieuwsblad vermeldde op 9 mei 1940: in Thalia de detective Het geheim van de witte kamer, in Olympia de western De wrekende rancher, in Studio ’32 de komedie Eerste liefde en in het Grand Théâtre de Franse film noir De emigrante. Uitgezonderd de laatste titel vormden de films een mix van commerciële Amerikaanse producties. Tuschinksi bracht, dankzij een deal met Paramount, Hollywood naar Nederland. Daarnaast draaiden in Studio ’32 vaak avant-gardefilms.

De filmladder van 9 mei zou Tuschinski’s laatste zijn. Na het bombardement raakte hij alles kwijt. Zijn vrouw Manja probeerde, volgens Van der Schoor, nog met vervalste papieren een overtocht naar Amerika te regelen, maar dat mislukte. „Ik denk dat Tuschinski op dat moment alle moed had laten zakken”, zegt de historicus. „Al zijn kinderen dood, een wankel huwelijk en het bioscoopbedrijf in puin.”

Zo kwamen Abraham en Manja Tuschinski arm en berooid op 17 september 1942 vanuit Westerbork aan in Auschwitz. Het land dat ze ooit hadden verlaten om een nieuwe toekomst op te bouwen, werd nu hun sterfhuis. Nog op de dag van aankomst werden ze vergast.

    • Willem Pekelder