Rijksmuseum van Oudheden: 200 jaar graven naar schatten in de grond

Archeologie Het Rijksmuseum van Oudheden werd precies 200 jaar geleden opgericht als pronkkamer voor oude cultuurschatten. Het werd de kraamkamer van de Nederlandse archeologie.

De vaste tentoonstelling ‘Archeologie van Nederland’ in het Rijksmuseum van Oudheden Foto Mike Bink

Een museum in Nederland als het British Museum of het Louvre, dat stond koning Willem I voor ogen toen hij in 1818 het initiatief nam tot een oudheidkundig museum in Leiden. De koning wilde pronken met mooie en bijzondere spullen. Maar de eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden, Casper Reuvens (1793-1835), bleek een echte wetenschapper die meer wilde dan alleen oudheden tentoonstellen: hij wilde ze gaan opgraven.

Het Rijksmuseum van Oudheden bestaat 200 jaar en viert dit met een jubileumtentoonstelling. Die tentoonstelling laat zien dat het museum inderdaad bijzondere spullen toont zoals Egyptische mummies, Griekse vazen, Romeinse keizerbeelden, Assyrische reliëfs en Foenicische doopvonten. Maar maakt ook duidelijk dat het museum altijd een belangrijke rol heeft gespeeld in het archeologisch onderzoek en aan de wieg heeft gestaan van de professionele archeologie in Nederland – met Reuvens als voortrekker.

Casper Reuvens, die rechten en klassieke talen had gestudeerd, zag de in 1818 nog jonge archeologie als een vak dat „naast sterrenkunde en geologie, nieuwe bronnen van kennis” bood. Reuvens verdiepte zich meteen na de ontcijfering van de Steen van Rosetta (1822) in het hiërogliefenschrift, ging naar Drenthe om met eigen ogen hunebedden en grafheuvels te bekijken en legde een lijst aan met waar in Nederland archeologische vondsten waren gedaan. Reuvens was ervan overtuigd dat archeologie de meest geschikte wetenschap was om „het geloof aan de geschreven geschiedenis sterk op de proef te stellen”.

Reuvens wilde daarom vanaf het begin dat ook in Nederland een opgraving zou worden uitgevoerd, net als in die buitenlanden die Willem I zo graag tot voorbeeld nam. In 1827 kreeg Reuvens eindelijk geld en toestemming, maar pas nadat hij de koning een worst had voorgehouden: op het landgoed Arentsburg bij Voorburg was ooit een grote bronzen hand gevonden, dus wie weet lag daar een groot Romeins keizerbeeld! Dat beeld zou Reuvens nooit vinden, wel de resten van Forum Hadriani: de hoofdstad van de geromaniseerde Cananefaten.

Reuvens was tegelijk met zijn benoeming tot directeur ook bijzonder hoogleraar archeologie in Leiden geworden. Na de afscheiding van België raakte het koninkrijk in geldproblemen en moest Reuvens zijn opgraving in Voorburg zelf bekostigen. Van opgraven kwam niet veel meer, omdat de eigenaar van het landgoed hem dwarsboomde en Arentsburg in 1834 liet veilen. Het jaar erop overleed Reuvens onverwachts aan een beroerte. Hedendaagse archeologen vinden zijn manier van opgraven en documenteren met profieltekeningen ‘modern’ en goed.

De meer dan levensgrote bronzen hand (4) die werd gevonden op landgoed Arentsburg bij Voorburg, was twee eeuwen geleden de aanleiding om op die plek opgravingen te doen. Foto Rijksmuseum van Oudheden

Smalle sleuven, snelle conclusies

Dat kan niet van al zijn opvolgers worden gezegd, en zeker niet van Jan Hendrik Holwerda (1873-1951), die in 1919 directeur werd. In 1904 was hij begonnen als conservator. In die tijd was zijn museum het belangrijkste archeologische instituut en Holwerda de bekendste archeoloog van Nederland. Achteraf gezien zou je hem beter de titel kunnen geven van archeoloog die er het vaakst náást zat.

Want nee, de plek die Reuvens had opgegraven was echt Forum Hadriani en niet een Romeinse vlootbasis zoals Holwerda dacht. En Dorestad was veel groter dan de compacte havenplaats die het volgens Holwerda was geweest. Met het werk van geschiedschrijver Tacitus in de hand dacht Holwerda de burcht van de opstandige Bataven en het ronde huis van hun leider Julius Civilis te hebben gevonden bij Nijmegen – die resten bleken later een grote Romeinse legerplaats geweest te zijn. En de oervorm van het Myceense koepelgraf die hij op het kroondomein Het Loo had gevonden was gewoon een massieve grafheuvel.

De miskleunen waren onder meer het gevolg van zijn opgravingsmethode. In Duitsland had hij aan het begin van zijn carrière geleerd om geen vlakken maar sleuven te graven. Deze methode met wat nu proefsleuven heten wordt nog steeds gebruikt, maar alleen om een eerste indruk te krijgen. Holwerda liet het bij die sleuven, die ook nog eens te smal waren om zelfs maar een goede eerste indruk te geven. Voor hem was dit geen belemmering om zaken soms mooier te maken dan ze waren, snel conclusies te trekken en daar nooit meer op terug te komen.

Deze manier van werken wekte grote ergernis bij een jonge medewerker van het museum, Albert Egges van Giffen (1884-1973), van opleiding bioloog. Het leidde tot een groot conflict en het vertrek van Van Giffen naar Groningen. Daar werd Van Giffen hoogleraar archeologie én de beste opgraver van Europa. Begin jaren twintig had hij al bewezen dat Holwerda’s koepelgraftheorie onzin was, maar in kranten en schoolboeken bleef men er tot de oorlog over berichten.

Archeologie in Nederland was decennialang eerst het werk van enkelen en later van tientallen. De persoonlijke vete tussen Holwerda en Van Giffen, een manipulator eerste klas, leidde daarom tot langdurige animositeit en machtsstrijd tussen Leiden en Groningen.

Bronzen zwaard, gevonden op landgoed Arentsburg.
Bronzen lepels, gevonden op landgoed Arentsburg.

Foto Museum van Oudheden
IJzeren sleutel, gevonden op landgoed Arentsburg.

Foto Museum van Oudheden
Liggend hazewindhondje van brons, gevonden op landgoed Arentsburg.

Foto Museum van Oudheden
Vondsten op landgoed Arentsburg. Met de klok mee: een bronzen zwaard, lepeltjes, een bronzen hazewindhondje, sleutels.
Foto’s Rijksmuseum van Oudheden

In de oorlogsjaren greep conservator Frans Christiaan Bursch (1903-1981) zijn kans en ging, nadat Van Giffen beleefd voor de eer had bedankt, met de Duitse bezetters samenwerken. Deze man, die voor de oorlog door zijn collega’s nooit betrapt was op nationaal-socialistische ideeën, ondertekende zijn brieven daarna met ‘Houzee’ en ‘Heil Hitler’. Verder ‘vond’ hij in een propagandafilm een scherf met een in de haast ingekrast hakenkruis, was hij adviseur van een tentoonstelling die duidelijk maakte dat al het goede niet uit het Oosten maar van de Germanen was gekomen, en deed hij mee aan een opgraving in de Oekraïne, waarbij krijgsgevangenen het graafwerk deden. Na de oorlog werd hij tot vijf jaar internering veroordeeld en was er voor hem geen plaats meer in de archeologie.

Het oudheidkundig museum was toen niet langer het belangrijkste opgravingsinstituut in Nederland. Die rol was overgenomen door de nieuwe Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Het was de ultieme overwinning voor Van Giffen die directeur van die dienst was geworden. Toch deed in de jaren zestig ook de ‘Leidse’ conservator Leendert Louwe Kooijmans (1940), later hoogleraar prehistorie in Leiden, belangrijke ontdekkingen in het westelijke deel van Nederland. Volgens Holwerda zat daar niets, omdat het in de prehistorie altijd onder water had gestaan. Maar op de Hazendonk in de Alblasserwaard vond Kooijmans een nederzetting en een halve kano, en bij Bergschenhoek een nog vrijwel intacte visfuik van twijgen.

Syrië en Egypte

Na de introductie van de commerciële archeologie begin jaren negentig stopte het museum helemaal met opgraven in Nederland. In het buitenland ging het museum wel verder met opgravingen. Het trok veel aandacht met het onderzoek van Peter Akkermans in Syrië, waar Tell Sabi Abyad veel informatie gaf over de werking van het bestuur van de Assyriërs aan de rand van hun rijk. En bijna vanzelfsprekend bleef het museum opgraven in Egypte, waar het al sinds 1957 welkom is en onder meer heeft meegeholpen aan de internationale reddingsopgravingen rond de bouw van de Aswandam, en bij Sakkara graven heeft ontdekt van twee belangrijke functionarissen van Toetanchamon, generaal Horemheb en schatbewaarder Maya (en zijn vrouw Merit).

Kalkstenen renaissancebeeld van Venus.

Foto Museum van Oudheden

In de jaren negentig en begin jaren 2000 kwam de nadruk te liggen op het organiseren van dure grote tentoonstellingen. Onder de huidige directeur, Wim Weijland, is wetenschappelijk onderzoek weer belangrijk geworden. Dat heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat de herkomst van (half)edelstenen van de fibula van Dorestad met natuurwetenschappelijke technieken is onderzocht en meer inzicht is ontstaan in vroegmiddeleeuwse handelsnetwerken en de symbolische betekenis van bepaalde edelstenen. Ook doet het museum in Nederland weer mee aan opgravingen van grafheuvels, op plekken waar Holwerda ook heeft gegraven. Opvallend daarbij is dat Weijland, afgestudeerd kunsthistoricus en vroeger werkzaam in de televisie- en documentaire-wereld, de eerste directeur is die geen egyptoloog of archeoloog is. Maar hij beseft dat wetenschappelijk onderzoek de basis is van de verhalen die het museum wil vertellen.

    • Theo Toebosch