Ik weet niet of er leven na de dood is, ik hoop van wel

Dagboek Je bent 21 en hebt longkanker. Floor van Liemt schrijft over wat haar overkomt.

Illustratie Merel Corudewener

Als klein kind noemde ik Nan ‘oma met de blauwe bloes’. Die droeg ze dikwijls, met daarbij altijd een vestje, rok, kousen en gouden sieraden. Haar nog natuurlijk rode haren keurig naar achter gekamd en vastgezet met een diadeem. Lieve heldere grijsblauwe ogen en een blanke, zachte huid, met wat lichtroze poeder op haar wangen.

Haar huis was als een warm bad waar nooit iets veranderde. Steeds als ik er kwam overlaadde ze me met haar humor, druppels eau de cologne en gebraden vlees met vette jus. We gingen taartjes eten bij de Bijenkorf en keken steevast naar Jiskefet: Debiteuren, crediteuren. Die afleveringen ken ik allemaal uit mijn hoofd, behalve die ene met Sinterklaas. Daar komt iets met seks in voor, dus mocht ik die nooit kijken van haar, zelfs niet toen ik al twintig was.

Oost west, thuis best, zei ze altijd. In die woorden klonken een bepaalde degelijkheid en eenvoud door waar ik rustig van werd. Alsof het leven helemaal niet zo ingewikkeld hoefde te zijn. Dat zolang de aardappels maar op tijd gekookt werden en het bed netjes was opgemaakt, niets fout kon gaan.

Met haar onvoorwaardelijke aandacht nam ze me als tiener als het ware weer op schoot. Een heerlijke ontsnapping uit het dagelijks leven, waarin ik als oudste in het gezin altijd zelfstandig mijn weg ging, een enorme verantwoordelijkheid voor anderen voelde. Zonder erom te hoeven vragen kwam Nan me als vanzelfsprekend tegemoet in mijn verlangen af en toe gewoon een klein meisje te kunnen zijn.

Toen ik begin september gebeld werd met het nieuws dat ze terminale maagkanker had, voelde ik een groot verdriet. Dat die veilige haven in Rotterdam dreigde weg te vallen vond ik vreselijk. Nooit had ik toen gedacht dat ik een paar maanden later geconfronteerd zou worden met min of meer hetzelfde lot.

Ik voelde me haast schuldig om haar in haar laatste maanden met deze enorme zorg te moeten opzadelen

In december zagen we elkaar voor de eerste keer na mijn eigen diagnose. Als twee dunne vogeltjes zaten we samen op de bank, maar desalniettemin hield ze me stevig vast. „Ik ben zo blij dat je me wilt zien”, zei ze, even bescheiden als altijd. Natuurlijk wilde ik haar zien, maar ik voelde me haast schuldig om haar in haar laatste maanden met deze enorme zorg te moeten opzadelen.

Wat een verdriet dat ik niet voor haar kon zorgen en zij niet voor mij. Mijn moeder tussen ons in als een ijzersterke schakel. Je moeder en dochter tegelijk dreigen te verliezen, dat idee lijkt ondraaglijk en toch wist ze altijd die kleine lichtpuntjes te vinden. Niet in paniek te raken, ondanks de onmacht. Haar aandacht zorgvuldig tussen ons beiden te verdelen, ons alle liefde te geven die ze in zich heeft.

Floor van Liemt schrijft een serie over wat haar overkomt. Lees hier het eerste deel: Ik vind mijn kanker een brutale aap

In deze heftige tijd voelde ik me extra verbonden met Nan. Bij het kerstdiner zaten we naast elkaar. We kregen allebei maar weinig van het heerlijke eten naar binnen. Om de beladen avond wat luchtiger te maken, maakten we grappen over onze perfecte lichamen en de flesjes vloeibaar voedsel die we allebei voorgeschreven kregen. „Die met banaan en aardbeismaak vind ik niet te harken, die mag jij wel hebben oma!” Nan grijnsde dankbaar, blij dat ik ondanks alles nog wel kon lachen.

Een paar maanden later blies Nan vredig haar laatste adem uit, omringd door haar vier kinderen. Ze geloofde niet in een leven na de dood. Ikzelf ben er nog niet helemaal uit, maar ik hoop van wel. Mocht het dan toch mijn noodlot zijn om eerder te sterven dan mijn ouders en broers, dan weet ik in ieder geval dat Nan er is om mij onder haar hoede te nemen. De allergrootste troost die er is.