Opinie

    • Sjoerd de Jong

Mei ’68 in het Handelsblad: traangas happen met belhamels en raddraaiers

Hij vond het „fantastisch”, zegt hij, al was het „stapelgek” en zou hij het „nu voor geen ton meer doen”. Maar Eric Boogerman (87) was er wél mooi bij, die meidagen in Parijs, voor het Algemeen Handelsblad.

En hoe. Dit is zijn beschrijving van de straatgevechten, in een van zijn vele reportages: „Voor mij wordt een fotograaf van Paris Match door een steen getroffen. Hij zakt bloedend in elkaar, vrijwilligers van het Rode Kruis komen met een brancard aanrennen. [..] Op een half afgemaakte barricade, te midden van de ontploffende traangasbommen, zwaait een lange demonstrant als een dolle met een groot stuk ijzer boven zijn hoofd. Dan zie ik hoe hij door een granaat in zijn gezicht wordt getroffen.”

Hoezo was de krant ooit saai?

Boogerman, eerder correspondent in Bonn, stond in Parijs in de voorste linies. Let trouwens ook op het soepele gebruik van ‘ik’, dat volgens de mythe vroeger taboe zou zijn geweest in de journalistiek. Ja, misschien het narcistische gebruik ervan, niet het functionele zoals in deze reportage.

Enkele tientallen stukken van Boogermans hand zijn opgenomen in een vierkant boekje van het Algemeen Handelsblad met de titel De mei revolutie van 1968 in rode kapitalen, dat op boekenmarkten nog wel te vinden is voor een euro of vijf. Een koopje.

De inhoud is nuttige bijscholing voor wie denkt dat journalistiek zonder live blogs en Twitter dodelijk saai moet zijn geweest. Zulke clichés gaan direct aan barrels in het beeldende proza van Boogerman. Hij observeert: „Haat straalde uit de ogen van de doodvermoeide CRS’ers [oproerpolitie], toen groepen demonstranten hun, de Hitlergroet brengend, ‘CRS, SS’ toeschreeuwden.”

Later, aan de Sorbonne: „Op de muren van de universiteit is een orgie van slagzinnen losgebarsten.” Men „drinkt zich dronken aan vernieuwing”. Geamuseerd stelt hij vast: „Een vrolijke revolutie is het wel. In de gangen is het opschrift ‘Verboden te roken’ nadrukkelijk doorgestreept. Het nieuwe bewind heeft ervan gemaakt: ‘U hebt het recht te roken’ en een enthousiasteling heeft er later bijgekalkt: ‘Zelfs hasjies’.”

En was opiniërend schrijven destijds taboe, zoals je wel hoort? De correspondent typeert studentenleider Daniel Cohn-Bendit in een bijzin, als „een begaafd demagoog, met helaas een overtrokken belangstelling voor zichzelf”.

Boogerman, later correspondent in Washington en sinds 1991 met VUT, kan er zelf wel om lachen als hij door het bundeltje bladert, in zijn flat in Den Haag. „Dat archaïsche, notariële taalgebruik, dat is wel heel ouderwets. Uitdrukkingen als: ‘evenwel’, ‘men moet niet vergeten dat’..”

Ja, maar het schept wel deftige distantie tot de barricades. Kijk, zegt Boogerman, je (niet: men) moet ook niet vergeten hoe anders de journalistiek toen was. Op reis in Afrika stuurde hij zijn stukken per post. In Parijs belde hij zijn kopij door. Suggesties, kritische of bemoedigende feedback kreeg hij zelden, hooguit een enkele keer van hoofdredactielid H.J.A. Hofland. Collega’s? „Ik trok met mezelf op”, zegt hij.

Zijn berichten en reportages verschenen ongesigneerd, zoals destijds gebruikelijk was; pas in de loop der weken verscheen zijn naam boven een stuk.

Dat was „een kleine revolutie”, zegt hij. In een ongesigneerde column van (vermoedelijk) Hofland wordt Boogerman aan de lezers voorgesteld als „een journalist die de gewoonte heeft, overal ter plaatse te gaan kijken” en die eerder „per snelbrommer Scandinavië bereisde”. Geintje, zegt Boogerman. Op die reis met zijn Mobilette in 1953 (25 km/uur) was hij nog niet eens journalist.

Wat vónd de krant van mei ’68? Aanvankelijk kan het „gerechtvaardigde” protest op sympathie rekenen. Maar naarmate de chaos toeneemt, wordt de toon van de commentaren strenger en uiteindelijk afkeurend: „De krachten der ontwrichting lijken sterker dan die der reconstructie.”

Intussen wordt op de redactie driftig gesleuteld aan de duiding, blijkt uit de bundel. Rudy Kousbroek rijgt Marx, Marcuse en Adorno aaneen in een duizelingwekkend betoog over revolutie, massaconsumptie en vervreemding. Cryptische uitsmijter: „Is de geschiedenis van de regelmatige uitbarstingen van moordende furies, waar wij steeds weer toe in staat blijken, misschien niets anders dan de geschiedenis van repressieve dessublimatie?”

Ja, wie zal het zeggen.

In een stukje over revolutietaal lezen we: „Over belhamels en raddraaiers wordt vrijwel niet meer gesproken. Niemand denkt er nog aan, termen als gespuis, gebroed, gepeupel of geboefte in zijn sfeerstukjes te verwerken. [...] Alleen in Haagse kringen wil men nog wel eens spreken over Jan Rap en zijn kornuiten, bij elkaar ook het janhagel of krapuul geheten. Zo blijkt weer, dat we in de cultuur van het euphemisme leven.”

Klagen over politieke correctheid, het kon ook toen al!

Tegen die tijd stelt Boogerman in Parijs vast dat de vrolijke chaos is uitgemond in gekte. De Sorbonne is ten prooi aan „toenemende vervuiling”, het gebruik van LSD neemt hand over hand toe.

Wat hij het mooiste vindt aan de journalistiek? De frontsoldaat: „Haantje de voorste zijn.”

Reacties: ombudsman@nrc.nl

    • Sjoerd de Jong