Column

Mei ’68? Ach, dat was ‘een windje’

In Lyon staan in boekhandel Passages Anna Enquist, Harry Mulisch, Jan Wolkers, Herman Koch, Esther Gerritsen, Cees Nooteboom en Anne Frank als een vakantie vierend gezin op een plankje naast elkaar. Maar ook al zijn ze vertaald, niemand koopt ze, want ook zij leggen het af tegen het Italiaanse bestsellerkanon Elena Ferrante.

Schuin tegenover de Nederlanders is een tafel ingericht met boeken over het evenement dat de gemoederen deze maand overal bezighoudt: mei ’68. Behalve heroïsche herinneringen zijn er ook nogal wat kritische beschouwingen over de chaos van die dagen, waarop zich in Frankrijk een nieuwe revolutie dreigde te voltrekken.

Zelf was ik in 1968 te jong om te kunnen beseffen wat zo’n revolutie betekent. Maar nu ik in mei in Frankrijk ben, moet ik ineens denken aan die ene revolutie die ik wél heb meegemaakt: in Kirgizië in april 2010. Mijn collega Arnout Brouwers en ik hadden ons bij de opstandige menigte aangesloten, die in de hoofdstad Bisjkek het parlementsgebouw bestormde. Eenmaal binnen zagen we wat een revolutie vooral behelst: ongetemde vernielzucht. Waar we ook keken waren doldrieste jonge mannen bezig om alles wat ze op hun weg naar de macht tegenkwamen te vernielen.

Eenmaal binnen zagen we wat een revolutie vooral behelst: ongetemde vernielzucht.

Aangezien Arnout en ik de enige niet-Kirgiezen in het parlement waren, besloot de opstandige meute opeens dat we CIA-agenten waren. Voordat we het in de gaten hadden, werden we omsingeld door zwaarbewapende, hysterisch gillende mannen, die hun pistolen en kalasjnikovs op onze hoofden richtten en ons van onze bezittingen beroofden. Uit het niets verscheen toen een aardige vrouw, die een rode band om haar bovenarm droeg. Zij riep onze belagers tot de orde en voorkwam een lynchpartij. ’s Avonds belandden Arnout en ik nog in een vuurgevecht, maar daar bleef het bij. De volgende dag nam het hoofd van de geheime dienst de macht over. Over Kirgizië heb ik sindsdien weinig meer gehoord.

Uit het boekje 100 X (je me souviens de) Mai 68 van Jean-Jacques Salgon, toen twintig jaar oud, maak ik op wat voor een feest mei ’68 voor de jongere generatie was. In Lyon, waar Salgon woonde, ging het er vrij kalm aan toe, vergeleken met Parijs. Honderd keer herinnert de schrijver zich in zijn herdenkingsboekje de meest uiteenlopende gebeurtenissen uit die dagen. Zoals de bloemetjesjurk van een vriendin of de studenten die uit Parijs terugkeerden met het laatste nieuws over de revolutie. Ook herinnert hij zich de solidariteit tussen de studenten en de arbeiders, zijn trotse opwinding toen een rood banier aan de gevel van de letterenfaculteit in Lyon wordt opgehangen, de koude douche als De Gaulle zegt dat het moment van de ‘herschepping’ voorbij is.

Een heel ander geluid klinkt uit de door Sophie Doudet bezorgde bloemlezing Commémorer mai 68?. Hierin benadrukt psychoanalytica Antoinette Fouque dat mei ’68 vooral het machogedrag heeft versterkt ten koste van de vrouwenemancipatie. En historicus Pierre Nora noemt de gebeurtenissen een ijdele maskerade en ‘een windje’ dat maar weinig veranderingen teweegbracht.

Het stemt tot nadenken. Misschien was het inderdaad niet meer dan dat. Misschien herdenken we mei ’68 alleen maar omdat we ook nu snakken naar nieuwe ideeën voor onze steeds ingewikkeldere wereld. Ideeën waarvoor boekhandel Passages je voldoende munitie verschaft. Ook al leveren ze vaak niet meer dan een windje op.